Ik werd vroeg wakker van een scherpe jeuk onder mijn oksel en hoewel half slapend wist ik: TEEK. De afgelopen dagen liepen ze continu over mijn voeten, handen, benen, overal. De kleine motherfuckers. Inmiddels reizen ze met me mee in mijn sjaal, op mijn tent, en waarschijnlijk ook in mijn haar en onderbroeken. Wegvegen heeft geen nut, dan zitten ze op je hand, dus of eruit trekken of wegschieten. Klittenbandinsectjes, er is geen ontkomen aan. Dus probeer ik er maar relaxt over te doen.

Mijn mede-wildkampeerders die in de auto sliepen vonden terwijl ik de teek met behulp van een spiegeltje eruit trok, half zes een goede tijd om wakker te worden, tachtig keer de autodeuren dicht te slaan en heel hard te hoesten en praten. Ik probeerde nog met oordoppen in wat uurtjes te pakken, maar mijn zenuwstelsel stond op overgevoelig en zag elk kriebeltje aan voor een teek. Slapen ging niet meer lukken.
De ochtend was aangenaam en omdat ik op een openbare parkeerplaats stond naast een arboretum (bomenpark) vond ik het sowieso wel een prettig idee mijn tent op tijd in te pakken. De rest van de ochtend genoot ik van mijn kopjes koffie, aangelengd met melk die ik de avond ervoor in de stromende rivier had gelegd ter koeling, en van de coniferengeur die het zachte meiwindje met zich meebracht. Een mereltje hopte om me heen met krioelende wormpjes in zijn snavel en ik las verder in deel twee van De Reiziger (Outlander).
Het bos is zo prachtig in de lente. Vooral van de beuken met hun felgroene blaadjes met zachte witte haartjes geniet ik enorm. Ik kwam de afgelopen week nog langs een groot tuinenpark met exotische planten, en aangezien ik plantengek ben overwoog ik er 15 quid voor neer te leggen. Maar toen bedacht ik me dat ik net zo blij word van de gaspeldoorn en kleine berkjes langs de weg en fietste ik maar weer door. Toch ging mijn hart wel sneller kloppen van dit arboretum. Met mijn schriftje en pen in de hand, een af een toe luide ‘what the fack?!’ bij het zien van een enorme mammoetboom, struinde ik door dit park waar verder geen mens te zien was. En aangezien ik toch moe was van vijf lange fietsdagen en van diezelfde dag een klim van tien kilometer in de brandende zon, vond ik de parkeerplaats ernaast perfect voor mijn tentje. De prachtige waterval voorzag me van een frisse duik en ijskoud water, een betere plek kun je je niet wensen.

Of misschien toch wel, want de nacht ervóór stond ik op een grasveldje onder lariksbomen aan een stil strandje. Daar zwom ik in de zee en las ik mijn boek in de avondzon, met uitzicht op de oneindige verte. Ik sliep zonder ook maar een auto of mens te horen, terwijl ik toch dichtbij de weg stond. Een verlaten plek, die ik bij stom toeval had gevonden. Ik had al zestig kilometer gefietst en veel potentiële plekjes gepasseerd omdat ze het even nét niet waren. Teveel in het struikgewas, te moeilijk bereikbaar met de fiets, teveel mensen, te dichtbij de weg. Ik was moe en besloot: ik ga nog één bocht om en als daar geen goeie plek is keer ik terug naar eentje vijf kilometer terug. Om de bocht was een plek, en lang stond ik er te dubben. Dichtbij de weg. Middenin de wind. Maar opzich wel een prima grasveldje.
‘Nee!’, zei ik hardop. Mijn regel is: ik ga net zo lang door tot ik de perfecte plek heb, of totdat ik móet stoppen omdat ik te moe ben of het donker word. En ik heb nog wel energie, dus ik ga gewoon door. Mijn kampeerplekken staan niet alleen in dienst van de fietstocht, ik doe het ook om het kamperen zélf. Lekker lange ochtenden in de natuur doorbrengen, of genieten van mijn decafé bakkie in de avond: het kan alleen als ik me relaxt voel op de plek.
Dus toch door, teruggaan slaat nergens op. Daar doen we niet aan. En jahoor, twee minuten verder daalde de weg naar een klein bosje aan het strand. Uit de wind, een platte plek, geweldig. Een vrouw op blote voeten en zonder tanden vertelde me dat mensen er wel vaker staan en dat ik er lekker van moest genieten. De volgende ochtend zou ze er weer zijn met haar kleinzoon die ging zwemmen, vertelde ze. Aangemoedigd door zijn dapperheid waagde ik zelf ook een duik. Met blote borsten in de warme zon dook ik kopje onder en het was fantastisch. Dit is leven.

Intussen vordert de reis naar het Noorden lekker. Parallel aan mijn route, meer het binnenland in, loopt ook de Cape Wrath trail (hike) die ik ooit met Zora zou doen. Maar toen hadden we toch geen kracht voor natte voeten en voedselpakketjes vooruit sturen en gingen we naar Wales. Dat was ook leuk.
Op een eenvoudige communitycamping die op donatie werkt, heel fijn, raakte ik in gesprek met een blije man met op zijn busje ‘Thistle Trekkings’. Samen met een collega begeleidde hij een groep wandelaars op de Cape Wrath trail. Deze week reed hij het busje met iedereens bagage van plek naar plek en wandelde zijn collega met de groep, volgende week doen ze het andersom. Ik ben hem nu al drie dagen achter elkaar tegengekomen, hij hangt overdag wat rond in de bergen en doet wat wandelingetjes en rijdt mij dan weer voorbij op weg naar de volgende plek. Elke keer weer lachen en even kletsen, elke keer heeft hij weer nieuwe tips. ‘Oh als je de andere ingang neemt bij de watervallen kun je er gratis heen’. ‘Bij Cape Wrath zit een leuke bothy (leegstaand hutje waarin je kan overnachten), moet je heen!’. ‘Je kunt ook wel op boerenland kamperen hoor, als er maar geen vee loopt’. Ik hoop dat ik hem in Cape Wrath tegenkom, het eindpunt van zijn route en het meest Noordelijke punt van mijne. Dan doen we een biertje (weet hij nog niet).

Begin deze week was ik ook nog op het beroemde eiland Skye, waar ik twee nachtjes in een hostel bleef. Hostels zijn prijzig maar leuk, omdat je er lekker onder de mensen bent en een keuken vol met apparatuur hebt. Het begint een traditie van me te worden om brandnetelsoep te maken als ik in een hostel ben, dus dat deed ik deze keer ook, onder luid geklets van verschillende groepen Fransen. Hoewel ze de neiging hebben meteen op Frans over te gaan bij het zien van landgenoten, kon ik me toch nog een beetje mengen in de groep en speelden we een paar potjes pool waar ik opeens heel goed in ben (beginnersgeluk).
Skye zelf ben ik toch niet gaan bewonderen. Heel Schotland is mooi, en ik wilde naar het Noorden. Ik heb zin om dat hoogste punt te bereiken! Bovendien was het hondsdruk op Skye en werd ik continu de berm ingebonjourd door alle campervans, dus was ik snel weer van het eiland af. Dat doe ik een andere keer wel, met de auto ofzo.

Tijdens het fietsen zit ik vaak hardop tegen mezelf te praten, liedjes te zingen, me te ergeren aan alle spierkracht die ik nodig heb voor een berg, maar inmiddels ook mijn nieuwe hobby uit te oefenen: luisteren naar vogels. De eerste nacht op Skye verbleef ik in een community die ik bij toeval op Google Maps had gevonden. Een prachtig bos met permacultuur tuin, maar momenteel was alleen de eigenaar aanwezig. Na covid en Brexit waren veel bewoners terug naar hun EU-land vertrokken en inmiddels voelde hij er weer voor om langzaam de community op te bouwen. Een beetje verrast door het feit dat het just him was en nog even wennend aan zijn manier van doen, bracht ik de avond met hem door aan het kampvuur. Even wist ik niet of ik wel veilig was, was hij te vertrouwen? Maar ik zette mijn tentje toch maar op in het bos en een kwetterend roodborstje vertelde me dat het allemaal wel goed zou komen.
Hoewel een beetje eigenaardig, wellicht door kluizenaarschap en neurodivergentie (zegt hij zelf), had hij toch een boeiend levensverhaal en deelden we onze ervaringen over het leven in de natuur. Hij wees me daarbij op de rol van het luisteren naar vogels, omdat deze je van alles kunnen vertellen over wat er gebeurt in een bos. Ik weet wel redelijk de basics van vogels, vooral hun uiterlijkheden, maar van alle verschillende geluidjes weet ik weinig. Meestal geef ik het bij voorbaat al op, omdat ik dan zoveel gekwetter hoor dat op elkaar lijkt en ik geen idee heb waar ik moet beginnen.

Maar zijn benadering bracht me op een nieuw spoor. Het gaat niet zozeer om elk geluidje een naam kunnen geven, maar meer om er gevoel voor te krijgen. Hetzelfde heb ik met planten: pas als ik een plant vele keren heb gezien, begin te zien hoe hij zich onderscheidt van vergelijkbare planten, en de verschillende stadia ervan begin in te zien, zoek ik de naam op. Die vergeet ik dan nooit meer. Maar de naam is ook ondergeschikt aan de herkenning. Continu observeren, dat is de sleutel van de taal van de natuur leren spreken. En daarmee ben ik nu ook begonnen met vogels. Het neemt een hoop frustratie weg, ik hoef de geluidjes niet te labelen. Met nieuwsgierigheid probeer ik ze gewoon van elkaar te onderscheiden en te denken, ‘hee, was dit nou ook het deuntje wat ik gister de hele tijd bij mijn tent hoorde?’. ‘Hee, hij wijkt opeens af van zijn melodietje’. ‘Hee, deze vogel blijft non-stop in deze boom fluiten en elk ander vogeltje is er maar heel eventjes, hij zal wel de baas zijn hier!’. ‘Hee, ik ben hier middenin het bos en toch hoor ik geen vogel, zouden ze verder weg van de bulderende rivier zitten zodat ze elkaar – en eventuele gevaren – beter kunnen horen?’. Observeren is leren, een van de redenen dat ik continu buiten wil zijn.
Nu blijf ik even in Ullapool, even een dagje rust voor mijn kuiten, knieën, en algehele lijf. Een lelijke camping waar ik weer voor moet betalen, het voelt krom als je kijkt naar alle prachtige wildkampeerplekken die er zijn. Maar hiermee heb ik even het gemak van mijn tent laten staan, elektriciteit en een supermarkt om de hoek.
Liefs!
P.s. De landschappen hier zijn waanzinnig, ongelofelijk, afschuwelijk mooi
P.p.s. Ik heb nog van alles beleefd en bergwandelingen gemaakt en mensen ontmoet, maar ik hou het ff tot de kern hier.


Geef een reactie op vedejongh Reactie annuleren