Sgòr Gaoith
Toen ik mijn moeder af had gezet op de bus naar het vliegveld (saai), had ik er meteen zin in. Nauwelijks hersteld van de wandelroute, maar met een stralende zon op mijn gezicht, was ik van plan een munro (bergtop boven de 940 meter) te beklimmen. Het was verder rijden dan ik dacht, want de weg zigzagde zich door een prachtige groene vallei. Toen ik eenmaal was aangekomen op de parkeerplaats in de middle of nowhere, was ik dus ook verrast dat het er vol stond. Nouja, het was een kleine parkeerplaats, dus zo’n 7 auto’s ofzo.
Het heerlijke aan mijn camperbusje is dat ik mijn huis en mijn spullen altijd bij me heb. Dus ik ging eerst even rustig koffie zetten en een second breakfast eten, en eens rustig overwegen wat ik aan zou doen. Ik ben niet zo’n fan van zonnebrandcrème; ik heb wel een natuurlijke variant maar die is niet zo sterk. De meeste bergen in Schotland zijn zo kaal als een woestijn, dus ik zou de hele dag in de felle zon lopen. Dus koos ik voor de nerd-optie: me helemaal bedekken met kleding. Ik trok mijn lange wandelbroek aan en een lang, los zittend merinoshirt. Ik vind zweten in merino helemaal niet erg, want het verdampt er lekker doorheen.

In je rugzak
Wat neem je mee de bergen in? Ik heb maar een gewone rugzak, dus erg veel past er niet in. Ik leerde op een cursus ‘mountain skills’ dat je altijd iets extra’s mee moet nemen bovenop wat je denkt aan te doen tijdens het wandelen. Dus je hebt wellicht al een trui mee voor op de top, waar het vaak koud en winderig is, maar dan moet je eigenlijk nóg een extra trui mee voor het geval van nood. Als je op de top je enkel breekt en je moet uren wachten op mountain rescue, heb je zo een extra laagje. Ook al was het bloedheet, nam ik toch mijn regenjas mee, want in de bergen weet je het nooit.
Verder gaat altijd mee: een opgeladen telefoon; een waterfles, de hoeveelheid afgestemd op de hoeveelheid rivieren onderweg; een zaklamp voor het geval je niet thuis bent voor het donker (you never know); goeie snacks; een basic ehbo setje; en mijn verrekijker. En wat natuurlijk niet mag ontbreken is een papieren kaart. Ik wil beter worden in het kaartlezen, heel vaak snap ik het nog niet zo goed. Hoogtelijnen, bergkammen, valleien, ik moet er allemaal erg lang over nadenken en zie het dan nog niet helemaal voor me. Bovendien moet je altijd een kaart mee voor als je telefoon uitvalt.
Voor deze tocht stond 6 á 7 uur en ik heb geleerd dat dat voor mij echt wel een maximale afstand is. Daarna ben ik meestal kapot en chagerijnig; ik hoop maar dat dat komt doordat we net de winter uitkomen en ik nog niet súperfit ben.

De tocht
Het eerste stuk liep door een mooi en koel bos. Ik was helemaal in mijn element met de kaart en wilde precies snappen waar ik was en wanneer ik welk pad moest nemen, dus ik nam rustig de tijd. Tot ik in een schoolklasje terecht kwam. ‘Mevrouw, gaat u naar de top?!’ vroeg een jongen van een jaar of 12. Zij gingen ook zeiden ze en hij riep naar de rest: ‘Volg haar!’. Ik liet hem wel even weten dat dat niet zo’n verstandige beslissing zou zijn. Ik wilde eigenlijk van deze troep af zijn zodat ik lekker rustig mijn gang kon gaan, dus ik stapte flink door. De hoogtemeters liepen al op en ik ging veel te snel voor mijn kunnen. Ik had dorst, had mijn gezicht nog niet ingesmeerd, wilde nog even goed op de kaart kijken. Maar ik had even geen kracht voor de hele tijd net voor een groep uitlopen, dus ik beukte door.
Na een tijdje leek ik ze van me afgeschud te hebben. Ik vleidde me neer op een grote steen, maar had alleen nog maar een restje thee in de fles. Ik had op de kaart gezien dat er een grote beek parallel aan het pad liep, dus ik was er vanuit gegaan dat ik de fles gewoon constant zou kunnen vullen. Daar was meteen mijn eerste les in het kaartlezen. De rivier liep namelijk meters verder onder mij, onbereikbaar, en ik had die hoogtemeters op de kaart nou juist precies over het hoofd gezien.

Snel pakte ik de kaart erbij, hopend dat ik niet helemaal terug naar de parkeerplaats hoefde. Gelukkig liepen er wat zijbeekjes uit de bergen richting die rivier, dwars over het pad. Het was alleen maar de vraag hoe groot die zouden zijn en of er wel water in zou zitten met dit droge weer.
Ik moest echt wat langzamer lopen, anders zou ik al snel oververhit en uitgeput zijn. Ik probeerde heel bewust een rustig tempo aan te houden, maar versnelde toch weer even toen ik de geul zag waar het beekje zou moeten lopen. En, gelukkig: helder, snelstromend, bergwater. Genot!

Naar de top toe liep eigenlijk continu een vrij duidelijk pad, dus de kaart hoefde ik niet echt te lezen. Maar het was wel fijn om steeds te bepalen waar ik was op het pad, en wat ik om me heen zag. Welke bergtop welke was, welk meer dat daar in de verte was, waar de rivieren liepen, ik hield het allemaal in de gaten.
De klim omhoog viel me zwaar en elke paar meter hield ik even halt en keek om me heen. Uiteindelijk behaalde ik de waanzinnige top. Onder me liep een klif verticaal naar beneden, naar een groot bergmeer. Tegenover me liepen even steile kliffen die leidden naar andere, nog besneeuwde bergtoppen. Het was een prachtig, indrukwekkend gezicht.

De weg omlaag was geen pad. Ik moest over een soort bergkam naar beneden en probeerde echt op de kaart te lopen met logica van het landschap, dus zonder kompas of iets dergelijks. Het werd me wel makkelijk gemaakt, want in de verte liepen twee vriendinnen dezelfde route. Maar ik wist ook niet hoe kundig die waren, dus ik probeerde ook mijn eigen beslissingen te maken. Ik voelde me niet lekker, die zon deed me geen goed. Geef mij maar grauwe wolkjes. Maar de ring moest in het vuur, ohnee, dat was ‘ie al, maar ik moest weer naar huis. Het ging een paar keer mis en ik banjerde dwars door de zompige heide, maar op een gegeven moment zag ik ver onder me het pad waar ik op uit zou moeten komen, dus het kon niet meer misgaan.
Weer bij de auto, waar het ook bloedheet was, parkeerde ik in de schaduw en genoot even hard van het leven. Ik had nog yoghurt en banaan en ik zette een heerlijk kopje thee. Ik trok een mooie zomerjurk aan en haalde wat vers water uit de rivier. Daarna ruimde ik mijn auto nog op, want die ochtend moesten mijn moeder en ik de tent inpakken en vroeg weg, dus had ik alles er maar ingesmeten. Uiteindelijk vertrok ik terug naar huis, naar het huis van Ted en zijn ouders, waar een heerlijk bedje op me stond te wachten.

Ben Tee
Ted werkt ergens in de Schotse Hooglanden in de bosbouw, drie dagen per week. Hij kampeert dan vlakbij het terrein waar hij werkt, anders zou hij elke dag vier uur in de auto moeten zitten en dat is een beetje overdreven. Het leek mij leuk en gezellig om hem te vergezellen, dus op maandagochtend stond de wekker om half zes voor de lange rit die ons te wachten stond.
Ik wilde graag een minivan om mee naar Schotland te nemen, maar een reden om het niet te doen was dat ik dan links zou moeten rijden. Op zich is het helemaal niet zo moeilijk, maar het enge is dat je wellicht een keer onbewust een fout maakt. En dat kan slecht aflopen. Ik hoor hier heel vaak hoe er ongelukken met toeristen zijn, en dan vooral op de rustige wegen omdat ze dan geen voorbeeld kunnen nemen aan andere auto’s. Het enge is gewoon dat je geen controle hebt over je onderbewustzijn. Maar ik vond het ook saai om het daarom niét te doen en het nou typisch zo’n angst die je gewoon moet overwinnen. Tuurlijk, ik zou dood kunnen gaan, maar dan heb ik het in ieder geval geprobeerd, haha.

Maar eigenlijk gaat het rijden gewoon heel goed. Ik heb natuurlijk een half jaar met mijn fiets hier deelgenomen aan het verkeer en ook vele uren als passagier doorgebracht naast Ted. Dus ik denk dat het links rijden ook al flink in mijn onderbewuste zit! Soms ben ik nog wel panisch, vooral als het heel automatisch gaat. Opeens word ik dan ‘wakker’ en denk: shit, rijd ik eigenlijk wel links?! Veel mensen zeggen ook dat je dan beter in een Britse auto kan rijden, maar ik vind het juist fijn in mijne omdat ik deze auto goed ken en niet meer hoef na te denken over het rijden zelf. Dus kan ik gewoon focussen op de weg.
Ik had nog geen plannen voor de dag, maar moest Ted afzetten op een prachtig parkeerplaatsje in het bos. Daarna liep ik weer mijn koffieroutine door, deed een afwasje in de rivier, en maakte een nieuwe hoestdrank van de verse sparrentoppen die ik overal zag hangen. Er liepen drie wandelingen door het gebied die ik allemaal deed en ik kwam door mágisch bos met prachtige watervallen. Daarna deed ik nog een dutje in mijn auto en toen was Ted er alweer. Wat een leven, zo’n busje.

De volgende dag had ik zin in een wat groter avontuur. Er was een bergkam in de buurt, en als ik die zou doen zou ik zo zeven munro’s aftikken. Maar dat was wel een flinke dag en dan zou ik pas laat weer ‘thuis’ zijn. Ik weet gewoon: ik hou van beweging, uitdaging, en buitenlucht, maar maak het heel heftig en ik vind het niet zo leuk meer.
Dus ik ging voor een wat lagere berg die me zo’n 4 of 5 uur zou kosten. De dag begon met pleurisweer, dus toen ik op de parkeerplaats van de wandeltocht aankwam spendeerde ik eerst nog een paar uur in mijn auto. Ik doe weer wat online werk voor mijn zus, dus daar kon ik de ochtend mooi mee vullen. In de regen op bergen lopen heb ik al wel eens gedaan, en het is gewoon geen fuck aan, haha. Als het zo bleef ging ik gewoon niet.
Maar het klaarde op, dus de wandelbroek moest weer aan. Dit keer had ik wel gezien dat er hoogtemeters tussen de beek en het pad liepen, maar ik liep direct langs de beek dus er ging wat mis. Dus liep ik dwars tegen de hoogtelijnen in de berg op, om uiteindelijk het pad te vinden. De eerste helft genoot ik van de enorme uitzichten op Loch Ness en Loch Lochy en de bomen, de koekoek die koekoekte, de roodborsttapuit en de schapen. Maar de tweede helft viel me wederom zwaar en ik was chagerijnig. Maar ik ging toch, want dit is gewoon type 2 fun. Afzien, en daarna trots op jezelf zijn.

De zon kwam zelfs door en ik beukte door, ik wilde er vanaf zijn! Door de chagerijn heen voelde ik ook HOEVEEL honderdduizend keer liever ik dit deed dan een full-time baan en naar de sportschool gaan. Ik vind naar beneden gaan altijd juist wel fijn (barefootschoenen zijn daarin ook mijn redding, niet zo’n marteling voor je tenen) en dat ging heel soepel. Bergaf ouwehoer ik ook altijd in mijn telefoon tegen vriendinnen, dus dan gaat de tijd ook snel. Eenmaal beneden was ik écht moe en ook heel chagerijnig. Bij de tent kookte Ted en ik een maaltje maar ik bleef ontzettend humeurig. Misschien was dit dus toch iets te heftig geweest en moet ik mijn fitheid nog opbouwen. Of ik moet gewoon accepteren dat ik daarna kapot ben en de volgende dag ook nog moe. Boeie.
Nou goed, gelukkig ben ik kort van stof. Volgende week ga ik, als Ted gaat werken, een paar dagen weer naar een heel ander gebied in de Hooglanden en ik kijk er erg naar uit! Lekker rommelen in mijn autootje, koffie drinken in cafeetjes, en prachtige wandelingen maken. Ik word echt een vanlifer and I love it.


Plaats een reactie