• Verhuistranen

    Het raakt me meer dan ik dacht. Ik slaap in mijn trekkerstentje in de tuin sinds mijn zus terug is, zodat ik alvast kan testen welke spullen ik nodig heb en zij lekker kan gaan inrichten. Dan loop ik niet zo in de weg en kan ik alvast van het buitenleven genieten terwijl ik nog het één en ander opruim en inpak.

    Tijdelijke mini-nederzetting

    Dat opruimen en inpakken is tot nu toe niet zonder horten of stoten verlopen. Twee maanden geleden wist ik al dat ik in de tent ging wonen, en binnen no time had ik een prachtige tipi gescoord. En toen kon ik eigenlijk niet meer wachten dus pakte ik de spullen die ik mee wilde nemen al in in kleine plastic bakken. Drie weken geleden begon ik écht met opruimen: al mijn kleren sorteren, boeken uitzoeken, maar eerst ruimte maken omdat allemaal te kunnen doen. Ik ben namelijk niet de meest georganiseerde persoon. Mijn huisje is snel een teringzooi en ik heb geen constant ritme in opruimen, behalve als je de maandelijkse cyclus ook een ritme noemt. In premenstruele buien was het huis opeens in een oogwenk schoon ;) Maar je kunt je dus voorstellen wat een troep eerst moest wijken voordat ik aan het daadwerkelijk sorteren van spullen toekwam.

    Vorige week was ik nog even op een – zeer vermoeiende maar fantastische – wandelvakantie dus lag alles stil. Twee dagen na mijn thuiskomst reed ik al naar Schiphol voor mijn lieve Margot, Jeremiah en poes Flint. Ik kreeg het gewoon niet voor elkaar om alles strak opgeruimd te hebben. Mijn opruiminspiratie was voorbij. Het meeste was wel gesorteerd maar wat overbleef was Eén.Grote.Teringbende.

    Welkom bij Simones opruimtactieken

    Margot en Jer zijn als een wervelwind door de stacaravan gegaan samen. Respect! Een prachtig nieuw en knus plekje is wat eruit tevoorschijn is gekomen. Ik herken mijn huisje er haast niet meer in en het is nu echt van hen. Op het slaapkamertje na, die staat nu vol met mijn bezittingen. Wat fijn is, maar ook wel als een last voelt. Ik zou toch minimaliseren, en nu zit ik alsnog met zoveel spul? Maar mijn moeder herinnerde me eraan dat minimaliseren niet alleen weinig spullen bezitten is, maar ook het doen met wat je al hebt. En dat betekent dus ook je spullen koesteren en niet zomaar wegflikkeren. Wie weet hoelang ik het tentleven leuk vind! Misschien woon ik op korte termijn wel weer wat groter en heb ik al die knutselspullen, kleren en boeken alsnog nodig!

    En dat ben ik met haar eens. Vandaag brachten we grofvuil naar de stort en het maakte me verdrietig. Verdrietig dat we zoveel consumeren als mensen en de luxe hebben om al het ‘teveel’ wat in de weg ligt weg te flikkeren terwijl het (in ieder geval érgens voor) nog bruikbaar is. Het herinnert me er meteen aan waarom ik in een tent ga wonen: omdat ik helemaal niet zoveel nodig heb. Ik hoef geen 20 stuks borden en bestek. Ik hoef niet allerlei kwetsbare elektrische apparaten. Ik hoef geen fancy keukengerei. Ik hoef geen twintig soorten lippenstift. Ik krijg stress van al dat teveel dat we hebben omdat ik er altijd weer iets mee móet. Het opbergen en bewaren (wat ruimte en dus geld kost), het onderhouden (wat ik nooit doe waardoor het vergaat), en het gebruiken (wat bij veel dingen niet vaak het geval is). Ik voel me schuldig als ik het weggooi, en goed onderhouden doe ik het niet, dus kan ik het beter niet consumeren. Dat is mijn visie nu.

    Maar dat was niet het enige verdriet van dit verhuisproces. Want terwijl ik hier nog slaap – welliswaar in een tentje – zie ik de plek transformeren. En ik besef daardoor nu pas: ik ga hier weg. Ik sluit een fase af. En wat voor één! Een periode van twee jaar waarin ik de duisternis heb leren kennen; heb mogen profiteren van de voordelen van het buitenleven; intensief heb samengeleefd en leren samen leven met poezen, muggen, poepvliegen, koeien, een pony, teken, dode en levende muizen, hazen, en noem het nog maar op; en voor het eerst helemaal alleen een huishouden heb gedraaid. Ik heb mijn gewoontes kunnen ontwikkelen, ritueeltjes ontdekt en mezelf onwijs goed leren kennen. Waar ben ik goed in? Wat heb ik nodig? Wat kan ik van mezelf vragen? Waar word ik blij van? Wat is mijn tempo? Deze plek was echt bevrijdend om in mijn eentje te bewonen. Rust, ruimte, natuur, en vrijheid. Wauw!!!

    Paradijsje

    En nu zelf opnieuw starten. In een tent. In het bos. Op een plek waarvan ik helemaal niet weet hoelang ik er mag staan. Ver weg van Achterveld, het dorp waar ik opeens gehecht aan ben geraakt. Het is eng maar daardoor ook kicken. Een nieuw groot avontuur staat voor de deur! Ik keek net nog even de kamer met spulletjes door die ik hier laat, en mijn twee lieve poezen kwamen bij me zitten. Toen kwamen de tranen echt. Deze twee meiden waren echt mijn bakens, mijn thuis, mijn warmte, mijn veiligheid. En ook hen laat ik achter. Dag lieve Puk en Guus, ik zie jullie volgende week weer als ik m’n lievelingszus bezoek :).

  • Pretentieus chillen

    Gister was ik in de sauna en drong het tot me door hoe pretentieus ik eigenlijk bezig was. Liters, maar dan ook liters water gaan er doorheen in de sauna. Uit z’n verband gerukte boeddhistische rituelen worden er toegankelijk gemaakt voor het hele volk. Het enige restaurant dat er is vraagt de hoofdprijs voor luxueuze gerechten die veel meer zijn dan de voedingstoffen die we nodig hebben op een dag.

    Tijdens onze wandeltocht door Zuid-Limburg noemde vriendin Zora eens ‘eten wordt altijd overrated, mensen doen altijd zo panisch over eten maar zo belangrijk is het niet’. Het zette me aan het denken. Op al mijn tochten, wandelend of fietsend, is eten echt mijn comfort. Als ik geen lekker eten had kon ik me eenzaam voelen, verpauperd, of een daadwerkelijke zwerver. Ik kon mezelf zielig vinden – zo gehecht aan drie goede maaltijden (en méér) op een dag en nu moederziel alleen in de natuur zonder lekker eten. En dat is interessant, want juist het zwerverachtige aan rondtrekken vind ik mooi. Maar toch blijf ik vasthouden aan bepaalde gewoontes die me herinneren aan mijn luxeleventje in Nederland, waar ik onwijs geprivilegieerd ben. Ik kies ervoor om bepaalde ontberingen aan te gaan door te wonen in een tent, door lange afstandswandelingen te maken, door te kamperen, maar ik vind die uitdagingen alleen leuk als ik me bepaalde comforts kan veroorloven.

    Mezelf op mijn fietsreis trakteren op iets lekkers

    Genieten
    Toch merk ik dat dat steeds meer gaat wringen. Enerzijds vind ik dat ik mag genieten van het leven en heus niet mezelf dik hoef te ontzien omdat er nou eenmaal armoede is in de wereld. Mede-lijden zorgt niet voor minder lijden, maar misschien juist meer lijden. Ik wil ook geen hoge eisen aan mezelf stellen: ik ben opgegroeid in een welvarende maatschappij, dan is het niet makkelijk om je gewoontes in een paar jaar te degraderen tot het pure minimale dat je nodig hebt (en daar gelukkig mee te zijn, want ik vind geluk een heel belangrijk goed). Ik ben gehecht aan bepaalde dingen: naar concerten kunnen gaan; een lekker koekje bij de koffie; steeds luxere koffie uit cafés; appeltaart in de herfst; een goede maaltijd op tafel ‘s avonds; goede en leuke opleidingen volgen. En mijn studentenleven heeft het niet minder gemaakt, sterker nog, met mijn maximale lening kon ik ook nog eens lekker reizen naar verre oorden en uit eten bij gebrek aan kookinspiratie. Het leven is sinds mijn kindertijd alleen maar luxer geworden – toen we nog zelf onze boterhammen smeerden, filterkoffie dronken (m’n ouders dan) en voor een dagje uit en altijd de fiets pakten.

    Inmiddels voelen die luxe gewoontes ‘nostalgisch’, ik voel me er veilig bij. Als ik op een vreemde plek ben, helemaal alleen, het koud heb, en al mijn spullen nat zijn, kan een goede kop koffie in een warm café me al mijn misère doen vergeten. Dan mag ik van mezelf lekker veel geld uitgeven aan boodschappen (inclusief chocola en lekker vette vullende producten), om mezelf een beetje gerust te stellen. Ik ben in die zin goed in mezelf bemoederen: lekker verwennen als het even niet mee zit. Dat is wel anders geweest, want op mijn eerste lange soloreis op de fiets door Zuid-Europa wilde ik mijn grenzen testen en vond ik dat ik minimaal moest zijn in alles (en at ik ook nog eens alleen vegan en vond ik dat ik geen geld uit mocht geven). Hoewel die reis heel episch en leerzaam was, droeg het niet echt bij aan mijn levensgeluk en besloot ik het voortaan wat luxer van te nemen op reizen. Maar zoals ik zei: dat wringt nu.

    Hier was ik: koud, nat, honger, ongesteld en eenzaam

    Ongelijkheid
    Anderzijds vind ik namelijk dat mijn levensstijl nergens op slaat. Ik vraag mezelf wel eens af: zou, qua resources en ruimte, iedereen op de aarde zoals ik kunnen leven? Als het antwoord daarop ‘nee’ is (en dat is het), dan betekent het eigenlijk al dat mijn welvaart ten koste gaat van de welvaart van een ander. Het stukje ‘meer’ dat ik inneem, betekent dat een ander een stukje ‘minder’ kan innemen. Het is niet zo’n directe link, maar ook weer wel.

    Ik kies ervoor om ontberingen aan te gaan zoals wonen in een tent en lange afstandswandelingen maken. Maar als het even tegenzit, kan ik gewoon terug naar mijn pretentieuze leventje en voel ik me weer goed. Als je écht met minimale middelen leeft kun je niet even terug naar oude gewoontes. Dan heb je daar geen geld voor, of geen middelen toe. Wat mij aantrekt aan het simpele leven is ook juist het idee dat ik zelfvoorzienend ben, dat ik moderne ontwikkelingen niet nodig heb om me goed te voelen. Maar dat is dus totaal nog niet het geval. Ik heb ze nog keihard nodig voor mijn mentale welzijn, mijn gevoel van comfort. En ik vraag mezelf af: is dat erg? Ik wil mezelf niet veroordelen, ik wil me niet schuldig voelen, want dat heeft allemaal geen nut en helpt geen mens. Maar ik wil wel kritisch blijven en me bewust zijn van mijn geprivilegieerde status. Het feit dat ik naar de sauna kan, spontaan een avondje, waar kneiterveel water, gas, energie, en weet ik veel wat wordt verbruikt, móet toch wel betekenen dat het ten koste gaat van iemand? Als er een soort Franse Revolutie zou zijn, zou ik honderd procent gezien worden als die elite die lekker geniet van de genoegens van het leven terwijl andere mensen zitten te creperen en hun kinderen niet kunnen voeden.

    Gelukkig met minder
    Ik ga dan denken: hoe kan ik mijn steentje bijdragen aan het leven van de mensen die zich geen luxes kunnen veroorloven? Ik denk aan vrijwilligerswerk, aan koken voor daklozen, aan werken bij de voedselbank, maar is dat niet gewoon een beetje het sussen van mijn schuldgevoel? Zou het niet écht helpen als ik een leven creëer waarin ik heus wel gelukkig mag zijn, maar niet zo overdreven luxe leef? Waarin ik respect heb voor de aarde, het doe met wat me in mijn omgeving aangeboden wordt, tevreden ben met het minimale (warmte, voedsel en liefde)? Waarom voel ik me pas op mijn gemak als ik me vol kan vreten, goede koffie kan drinken en rijkeluis dingen kan doen?

    ‘Eten is overrated’ klopt wel, wat mij betreft. Eten is overrated voor onze laag van de maatschappij. Voor de laag mensen die zich allang het minimale kan veroorloven. Die te veel eet, meer dan de aarde aan zou kunnen als iedereen zoveel zou eten. Eten is overrated voor die mensen als ik die echt wel minimaler willen leven, maar voor een gevoel van comfort dan toch wel lekker en net te veel eten willen hebben. Eten is overrated in die zin: we zijn verslaafd aan altijd gevoed zijn. Ik voel me zielig als ik even honger heb, omdat ik zo gewend ben altijd goed te eten te hebben. Mijn uitdaging wordt dan ook: gelukkig zijn met minder. Me ontspannen en tevreden kunnen voelen ook al is er alleen maar droog brood met een beetje roomboter. Dankbaar kunnen zijn dat ik leef, dat ik lieve mensen om me heen heb, dat de natuur zo verschrikkelijk mooi is, dat ik plezier heb, en dat mijn buik – gewoon goed genoeg – gevuld is. En daar is denk ik ook een soort innerlijke tevredenheid voor nodig en niet het idee dat geluk buiten mezelf ligt.

    Maar gevoelens die daar niet bij horen zijn zelfoordeel en schuldgevoel. Dat helpt geen mens. Want als we dan tóch pretentieus chillen, laten we er dan in ieder geval van genieten en dankbaar zijn dat we dit ons kunnen veroorloven. Anders is het dubbel zonde ;).

    Geluk is plezier, mooie natuur, warmte, en een beetje eten :)
  • Alles is donker

    Alles is donker

    De laatste jaren heb ik een groeiende fascinatie en liefde ontwikkeld voor de duisternis – in al haar facetten. Ik ben gaan houden van het proces van afbraak, van de dood. Ik ben gaan houden van de donkere nachten in de winter hier op het platteland. Ik ben gaan houden van mijn menstruatie, het prachtige proces van loslaten. Ik ben gaan houden van rust en inkeer.

    Ik kijk best uit naar de dood. Het voelt als een ultieme verbinding met het leven. Alsof ik met mijn lichaam, geest, en ziel of waar ik ook uit besta, oplos in het geheel. Het idee in de donkere aarde te liggen voelt geborgen: kleine diertjes knabbelend aan mij, mijn stoffelijke resten opruimend. Doodgaan is rust, niks hoeft meer, ik hoef niemand meer te zijn, ik ben één met de natuur. In een Japanse mangaserie over Scandinavië werd de dood ook wel omschreven als de ultieme vorm van liefde (link naar de sketch):

    “He is dead, and therefore more beautiful than anyone alive. You might say he is love itself. For you see… he will not hate, nor kill, nor steal. Don’t you find that wonderful? His body will be abandoned here… and his flesh will feed the beasts and insects. He will be blown about by the wind… and pelted by the rain… and he will not raise a single word in complaint. It is death that completes a man”. 

    Belang van rust

    Mijn fascinatie voor de dood is ontstaan met mijn verlangen om meer te weten te komen over mijn menstruatiecyclus, omdat ik veel buikpijn had. De verdieping in mijn cyclus bracht mij inzichten over de urgentie van rust in het leven. Onze menstruatiecyclus nodigt ons elke maand weer uit om te rusten, te bezinnen en los te laten. De tijd van de bloeding is de tijd van inkeer en het verwerken van alle prikkels die door de cyclus heen zijn binnengekomen. Het is een fase waarin het kaf van het koren gescheiden wordt en duidelijk wordt waar ik mijn energie aan wil besteden en wat ik weg wil uit mijn leven. Het is een tijd van op mezelf zijn, mijn huisje opruimen, foto’s uitzoeken, wandelen in de natuur. En dan, na een week, kom ik op verrassende wijze weer ‘tot leven’.

    Veel van mijn vrienden of naasten begonnen daarnaast burn-outklachten te ontwikkelen, variërend van milde klachten tot zware depressie. Ik ben opgegroeid met depressie dichtbij in de familie en dat heeft mij altijd doen realiseren dat zelfliefde een groot goed is. Mijn behoefte aan rust enerzijds en mijn plichtsgevoel van productief zijn anderszijds begonnen te schuren en in kleine stapjes ontdekte ik steeds meer dat mijn behoefte aan meer tijd en ontspanning eigenlijk heel gezond was. Opnieuw werd ik hierin bevestigd door de groeiende mentale gezondheidsproblemen onder leeftijdsgenoten. Als mijzelf pushen tot gevolg zou hebben dat ik helemaal op zou branden en mijn levenslust zou verdwijnen, dan was (en is) het zaak dat ik luister naar die borrelende behoeftes diep in mij.

    Cyclisch leven

    Zo kwam ik ook terecht bij het concept van ‘cyclisch leven’. Dit gaat niet alleen over de menstruatiecyclus, maar is een opvatting dat we überhaupt in cycli leven. We willen heel graag van onszelf dat we een soort constant prestatievermogen hebben, maar cyclisch leven gaat er vanuit dat we ‘winters’ en ‘zomers’ hebben. We hebben fases van presteren, energie, naar buiten gericht zijn – en we hebben fases van rust, bezinning en inkeer. Beide fases zijn hard nodig en hebben hun eigen krachten. Samiye van Rossum (Vrouwenwijs) verwoordde mooi in haar online cursus over cyclisch leven dat duisternis een kracht op zich is, en niet alleen het gebrek aan licht. Duisternis is de kracht van loslaten en laten borrelen. Een kracht van overgave en vertrouwen. Een kracht van niet-weten, maar voelen. Niet de kracht van ‘doen’, maar van laten gebeuren. Het is een fase waar je geen controle hebt, waar je niet in actie komt of een richting bepaalt zoals in de zomerse fase. Het is juist een fase waarin je onderbewuste ruimte krijgt om zich te ontwikkelen. 

    Winter

    Doordat ik me steeds meer ging verdiepen in deze processen werd het belang van de duisternis me ook steeds duidelijker. Ondertussen maakte ik mijn eerste winters mee in mijn stacaravan op het platteland, en dat was confronterend. Het eerste jaar woonde ik er nog met mijn zus, maar het jaar daarop (2021/2022) was ik alleen. Het is hier pikdonker – je ziet dus veel sterren – want er is geen verlichting in de tuin of op straat. De kou is confronterend, want ik stook op hout en moet dus meer moeite doen om het warm te krijgen. Stel je voor: je hebt een leuke avond gehad en komt ‘s avonds thuis in een klein huisje waar het vochtig, koud en pikdonker is. Ik kon me daarin best eenzaam of neerslachtig voelen.

    In januari ging mijn relatie bovendien uit, stopte ik met mijn baan die ik helemaal niet meer leuk vond, en zaten we vol in de coronalockdown. Dat was echt een dieptepunt voor mij. Ik voelde me echt compleet.. verloren. Ik had veel last van negatieve gedachtes, moedeloosheid, wanhoop, neerslachtigheid, verveling. Dat ging gepaard met een laag zelfbeeld en géén idee hebben van welke richting ik op wilde. Met Rianne Collignon (natuurcoach) die ik op Instagram volgde ging ik een klein project aan die gerelateerd was aan de Heilige Nachten.

    De Heilige Nachten is een fase van een aantal weken rondom kerst die eigenlijk die duistere kant van het jaar symboliseren. Men zegt dat de zon dan stilstaat en het eigenlijk ‘de tijd tussen de jaren’ is. Een enorm donkere fase, die eigenlijk pas eind januari weer echt eindigt. Eind januari merken we weer dat de dagen daadwerkelijk wat langer worden en de diepste duisternis voorbij is. Rianne gaf de deelnemers een aantal zelfreflectieopdrachten in deze donkere tijd om uiteindelijk een ‘nieuwjaarsessentiebrief’ naar onszelf te kunnen schrijven. In plaats van nieuwe voornemens op 1 januari, verschoof zij deze naar 1 februari. Ik vond dit heel bevrijdend! Januari was namelijk echt mijn dieptepunt en ik moest eerst echt nog door die diepte heen voordat ik stappen naar het licht kon zetten.

    De uitspraak van haar die me er in die periode het meest doorheen heeft geholpen was: ‘de winter is een periode van het uithouden van het niet-weten’. Door deze realisatie, kon ik in kleine stapjes mijn angst voor de toekomst loslaten. Door deze uitspraak besefte ik: alles lijkt nu duister omdat alles nog onduidelijk en duister ís. Ik kan nu niet bepalen hoe de toekomst eruit gaat zien en of deze lichter zal zijn dan nu, ik kan daar alleen maar op vertrouwen. Ondertussen moet ik accepteren dat ik dat dus niet kan weten: het uithouden van het niet-weten. Wat een knap staaltje omdenken! De winter is écht het uithouden van het niet-weten en juist die donkere processen hun werk laten doen. Laat het maar even donker zijn, dat is nodig.

    De dood

    En inmiddels is de donkere helft van het jaar alweer van start gegaan. Oktober is de ultieme maand van de dood en aan het eind van de maand vereren we als het ware de dood en de doden. We staan stil bij onze sterfelijkheid, waar we de komende maanden zo mee geconfronteerd zullen worden. En ik kijk er naar uit. Sinds de donkere winter van vorig jaar ben ik me vertrouwder gaan voelen met de dood. Ik heb dit jaar zelfs veel dode dieren om me heen gehad: mijn eerste haas gevild, mijn eerste buizerd opgezet. Dode muizen is hier dagelijkse business en ik ben bezig met de cursus ‘doodgaan voor beginners’ van Claudia Crobatia waarin ik mijn ultieme dood moest visualiseren. De dood begint een vriend van me te worden. Ik heb inmiddels ook een stervensboekje waarin ik mooie uitspraken heb opgeschreven die voor mij over de dood gaan, en wensen voor mijn begrafenis en afscheid. Ik begin dode dieren, processen van afbraak, en het feit dat alles ooit sterft en voorbijgaat opeens te waarderen.

    En het mooiste? Nu de dood steeds vertrouwder voelt, lijkt het leven steeds betekenisvoller te worden. Ik begin steeds meer te accepteren dat ik op een dag doodga: misschien morgen, misschien over 60 jaar. Alles sterft, en alles komt opnieuw tot bloei: zo ook ik – in welke vorm dan ook. En dat zet het leven ultiem in perspectief. Het doet er allemaal niet zo toe, het hoeft niet allemaal zo groots, ik hoef niet het beste uit mezelf te halen. Uiteindelijk wil ik gewoon genieten van het nu totdat de dag aanbreekt dat ik zal sterven.

  • Tipitest

    Helemaal zeker ben ik nog niet van mijn plannen voor de winter. In een tent wonen ja, maar wanneer precies weet ik nog niet, en: hoelang kan ik op dezelfde plek blijven? Het liefst blijf ik dichtbij huis zodat de normale gang van zaken door kan gaan. Aan de andere kant gaat het leven in de natuur ook tijd en toewijding vragen en daarmee moet ik mijn agenda minimaal inrichten. Bovendien spelen andere vraagstukken een rol: wat wil ik met mijn smartphone? Waar laat ik mijn laptop? Houd ik mijn auto of geef ik die door? Welke spullen gaan mee? Hoe richt ik de tent in?

    De tent had ik een dag na aankoop al opgezet in de tuin. Ik had er zoveel zin in! Het is een klein tipitentje van 3,20 meter doorsnee van het merk ProTipi. Een echtpaar heeft hun model van een tipitent geperfectioneerd en vervolgens besloten honderd tipi’s in verschillende maten op de markt te brengen. Zelf genaaid, de kachels zelf gesmeed, en veelvuldig uitgeprobeerd. De tipi heeft een middenpaal waar het doek rondom op leunt, en het leuke is dat je in de winter die paal vervangt door de kachelpijp en er een klein – brievenbusformaatje – kacheltje aan kunt hangen. Dat geldt althans voor mijn tipi, de grotere hebben natuurlijk flinke kachels.

    Mijn kleine tipitent
    Ik heb mijn tent op Marktplaats gevonden. Ik zocht naar katoenen tenten, omdat ik had gelezen dat dat een beter idee is in de winter. Katoen versus polyester heeft voor- en nadelen. Op een katoenen tent zet zich geen condens af omdat het ademt. Er is dus geen condens om te bevriezen en het vocht kan makkelijker uit je tent. Daarnaast vind ik katoen gezelliger ogen om permanent in te verblijven. En toen kwam opeens deze minitipi op mijn pad en reed ik impulsief met mijn moeder naar Friesland om hem te bekijken en meteen mee te nemen!

    En twee dagen later zette ik hem dus op. De vloer bedekte ik met dikke dekens (polyester), daar bovenop mijn slaapmatje, daarbovenop mijn nieuw gevilte schapenvacht. Ik was zo op dreef dat ik meteen doorzichtige kistjes heb gepakt en heb geprobeerd alle spullen daarin kwijt te kunnen. Ik had natuurlijk meteen zin om te pakken, maar inmiddels is daardoor mijn huis een chaos omdat ik die spullen ook weer nodig had. Dus niks ligt nu waar het moet liggen. Maar die plastic bakken zijn fijn want ze beschermen tegen vocht, zijn stapelbaar, en je kunt zien wat erin zit! Ik heb een kistje voor:

    • boeken (stuk of 5 natuurboeken plus ruimte voor biebboeken)
    • knutselspullen (schilderetui, dagboek, naaisetje, kralendoosje, etc)
    • gerei (kachelhandschoenen, hamer, theedoek, boodschappentasje, aanstekers, ducktape, zakmes, etc)
    • niet-verse voeding (bouillon, koffie en thee, roggebrood, rozijnen, dat soort dingen)
    • klein kistje voor sokken en ondergoed

    Kookgerei mag nat worden en kan buiten staan, dat scheelt weer ruimte. Dus een afwasteiltje met pannetje, bord, beker enzo komt hier nog bovenop. Kleding – waar ik later op terug kom – gaat denk ik in een compressiezak. Losse boodschappen die muisbestendig zijn kunnen gewoon in een tas in de voortent. Er moet ook nog hout komen, dus ik neem ook een mandje mee voor kleine houtjes, alleen dat past in de brievenbuskachel, haha. En dan nog ergens een toilettas. En dan is mijn tent ook meteen bommetjevol. Er past niemand bij, ik pas er zelf al nauwelijks in, en het moet ook nog een beetje gezellig blijven. Drie nachtjes heb ik er doorgebracht en dat was fijn maar nog wel intens. Een plat bed in een vol tentje is toch minder ontspannen dan een groot bed in een grote ruimte. Maar dat went misschien.

    Toen het EINDELIJK weer ging regenen moest ik van mezelf opnieuw de tent uitproberen (hij stond na 2 weken nog steeds) en je raad het al: natte voeten! Het grondzeil is niet waterdicht, maar bovendien lijkt het grondzeil helemaal niet goed in de tent te zitten, er is veel te veel grondzeil over. En zo zijn er nog meer dingen die ik niet snap aan de tent, maar gelukkig willen de originele makers van de tent wel een keer een kop koffie met mij drinken om de how to’s door te spreken! Daar heb ik heel veel zin in, en ik hoop dan wat meer zelfvertrouwen over de tent te ontwikkelen. Ondertussen stinken de polyester dekens naar vocht en ligt de tent te drogen in mijn kleine stacaravanwoonkamertje. Die moet ik maar eens in gaan pakken als ik inspiratie heb verzameld over hoe dat moet.

    Kleding
    Dan is er nog een ding dat me lekker gezond bezighoudt. Kleding. Terwijl een tent van katoen juist aan te raden is, is kleding van katoen dat niet. Katoen houdt namelijk vocht vast. Overal waar ik tips lees zegt men: draag.geen.katoen. Ook geen katoenen hemdje onder je thermokleding. Geen katoenen t-shirt. Geen spijkerbroek. Katoen wordt vochtig en vocht = kou. Dit vind ik echt een inzichtelijke tip! Ik heb al wollen thermo-ondergoed aangeschaft, ik heb veel wollen truien dankzij de veelvuldige kledingdump van mijn zus, ik heb een chille fleecetrui van Utrechts Landschap en ik denk dat een simpel Hemaregenjasje wel voldoet om overal overheen te plempen als het regent. In het boek De Hertenman leeft de schrijver zeven jaar in het wild en hij tipt dat wol het beste is om óók bij regen te dragen. Wol heeft een sterk isolerend vermogen en houdt, mits strakgebreid, water tegen. Hij had meerdere lagen over elkaar aan en kneep gewoon de buitenste uit na een regenbui. Goeie tip, alleen ga ik denk ik toch voor fleece over wol en dat regenjackie. En verder minimaal, gewoon elke dag dezelfde kleren aan en een extra trui en droge sokken mee.

    Maar ik pieker me rot over mijn benen! Ik heb altijd koude benen, maar wat doe ik áán? Ik begin met een thermolegging van wol, maar een spijkerbroek voldoet niet (katoen), mijn wandelbroeken voldoen nauwelijks (dun en niet winddicht) en verder heb ik een fleecebroek als optie maar dat lijkt me ook niet echt top. Ik heb geen zin om dure outdoorbroeken aan te schaffen, maar mijn moeder had het geniale plan een oude skibroek van zolder vandaan te toveren. Ik zie dat meer als een noodoplossing voor extreme kou, want als ik gewoon ga werken in de bieb kan ik moeilijk met een skibroek binnenkomen (en die de hele dag aanhouden). Dus ik zoek nog naar een middenweg en overweeg ook iets van een wollen rok: rokken houden je benen altijd zo lekker warm! Ze zijn daarentegen ook weer wat minder praktisch, blijven haken in struiken, je staat erop als je plast, als je de handstand doet zakt hij over je hoofd, etc. Belangrijke zaken.

    Ontspullen
    En waar ik nog wel het meest naar verlang is het weinige bezit dat ik straks heb. Oké, ik verlang het meest naar continu buiten zijn, maar op plaats twee staat eenvoud. Het probleem is alleen dat ik nu nog heel veel spullen heb en dus al die dingen die ik niet meer wil (en kies maar eens uit wat wél mag blijven) ergens kwijt moet. Waar laat ik alles? Ik kan altijd zooi kwijt bij mijn ouders en ik kan ook wat in de stacaravan laten staan, maar ik wil ook graag weinig bezitten. Dus zoals ik al zei is mijn huis nu een teringzooi met: doorzichtige bakken met halve inhoud; een tipitent in de woonkamer op de grond; twee bulten kleding waar iets mee moet; een boekenkast waar de helft uit is en de rest door elkaar/ op elkaar/ omgevallen ligt; de afwas; en nog een paar dooie muizen van Puk.

    Maar straks bezit ik nog die ene kast met kleding en spullen, en die paar kistjes.. Ben ik de hele dag in het bos.. Hoor ik de vogels, ga ik de wolken beter snappen, eet ik uit de natuur.. Maak ik iedere dag vuur, slaap ik iedere dag op een schapenvachtje.. Voel ik elke ochtend die frisse wind op mijn gezicht en weet ik dat ik leef..

    Ik ben benieuwd hoe het allemaal uiteindelijk gaat lopen. Eerst in oktober nog de Dutch Mountain Trail lopen! Stay tuned :)

    Liefs,
    Simone

  • Wildplukexpert worden

    Wildplukexpert worden

    Laatst deelde ik op Instagram de wildplukwandeling die ik met mijn medegidsen van IVN gaf en kreeg ik reacties van mensen die ook graag meer plantjes en hun eetbaarheid wilde leren kennen. Welk boek gebruik je daarvoor? Hoe doe je dat?

    Er zijn heel veel plantjes die ik nog niet ken, maar wel steeds meer. En dat vind ik heel leuk. De allereerste voorwaarde is dan ook dat je het écht leuk vindt. Dat je er zin in hebt. Dat de motivatie uit jezelf komt. Het is minder leuk om je bezig te houden met de natuur als je vindt dat het moet, omdat het een trend is, of omdat het ‘cool’ gevonden wordt. Afgelopen herfst en voorjaar was ik er weer niet zoveel mee bezig, toen had ik er gewoon geen zin in. In de zomer kwam de passie vanzelf weer op.

    Je hebt geen boeken nodig, wat mij betreft. Aan het begin nog niet. Het belangrijkste aan planten leren kennen is observeren. Als je eenmaal begint, ontwikkel je vanzelf een bepaald oog. Tijdens wandelingen – alleen of met anderen – zul je continu registreren welke planten en bomen je om je heen ziet. En, afhankelijk van waar je je op richt, insecten, paddenstoelen, spinnen, sporen, etc.

    Zien
    Begin eens met observeren. Ga een stukje wandelen en benoem alle plantjes die je wél kent. Bijvoorbeeld paardenbloem. Er zijn vast heel wat plantjes die je als beginneling verkeerd determineert als paardenbloem. Maar je ziet ze, je benoemt ze. Of het goed is of niet maakt niet uit. Later zul je steeds meer verschillen gaan herkennen, omdat je steeds zoveel paardenbloemen bewust hebt bekeken. En dan ga je je afvragen: is dit eigenlijk wel een paardenbloem?

    Als je een plantje ziet die je niet kent, kun je denken ‘hé die ken ik niet, hoe ziet hij er precies uit? Welke kleur, welke vorm, watvoor blaadjes, wanneer bloeit hij?’. En misschien kom je hem op je volgende wandeling weer tegen, en later wéér. Pas als je hem terug herkent, en zeker weet dat het datzelfde plantje was dat je laatst ook zag, kun je hem gaan determineren. Dat kan het handigst met een app, maar een boekje kan ook. En het mooie aan dit proces is: onbewust registreer je wanneer hij bloeit, in wat voor omgeving hij groeit, welke plantjes in de buurt staan. En krijg je er gevóel voor. Op een gegeven moment weet je gewoon wanneer het dat specifieke plantje is en wanneer niet. Dat is mooi aan continu observeren.

    Je leert daardoor ook de verschillende fases van de plant kennen, en slaat kleine details in je op. Bijna altijd als ik langs een eik loop benoem ik in mijn hoofd ‘eik’. Daardoor heb ik al zoveel eiken bewust gezien, dat ik hem nu uit de verte al herken. Ik wéét gewoon welke vorm hij heeft. En dan weet ik nog helemaal niet wat een zomereik en wintereik is, dat komt later wel. Doordat je hem zo vaak voorbij hebt zien komen, wordt de plant je vertrouwd.

    Eetbaar
    Dit boek is de wildplukbijbel! Als je net begint met wildplukken weet je misschien niet waar je kijken moet. Maar als je steeds meer plantjes leert kennen via de manier die ik hierboven beschrijf, kun je dit boek als naslagwerk gebruiken om de eetbaarheid te onderzoeken.

    Als je aan het begin van het proces al afvraagt of de paardenbloem eetbaar is, is dat natuurlijk leuk om op te zoeken. Maar, kijk uit. Het is goed om je bewust te zijn van verwisselgevaar. Als je weinig plantjes kent, is de kans groot dat je de planten die je wél denkt te kennen verkeerd determineert. Je weet namelijk niet wat de andere opties zijn, en soms zijn de verschillen minimaal. Je moet daarom echt zéker weten dat de plant daadwerkelijk de plant is die jij denkt (of als je weet dat een hele familie van die plant eetbaar is, dan kan je het risico wel nemen).

    Maar als je onwijs nieuwsgierig bent naar de eetbaarheid van een plant, is het ook onzin om te wachten met dat te onderzoeken omdat je van Simone eerst moet observeren. Wat ik zei: intrinsieke nieuwsgierigheid is het belangrijkst. Alleen de plantenwereld leren kennen kost tijd, en als je als een fanaat de natuur intrekt en elk plantje dat je tegenkomt determineert en onderzoekt op eetbaarheid, ben je na die middag compleet overprikkeld, heb je weinig onthouden, en weet je op je volgende wandeltocht nog steeds niet wat je kunt eten. Daarom is mijn advies om de eetbaarheid (maar zelfs dus ook de naam alleen al) van een plantje pas op te zoeken als je hem herkent.

    Geef het een beetje tijd
    Uit je hoofd stampen heeft weinig zin wat mij betreft, je moet er gevoel voor krijgen. Het gewoon veel doen. Gewoon kijken, kijken, kijken. Benoemen. En het mooie hieraan is: het is ontzettend mindful! Je bent nergens meer mee bezig behalve met de boom bekijken, welke vorm zijn bladeren heeft, hoe de bast eruit ziet, wat zijn vorm is. Daarom houd ik zo van de plantenwereld, het is compleet zen en mooi.

    Als ik aan het wandelen ben ontstaan er vaak veel vragen: wat is dit plantje? Zou je eikels kunnen eten? Hoe zie je of deze bessen rijp zijn? Wat is nou het verschil tussen al die paardenbloemachtigen? Ik stel die vragen, maar ik beantwoord ze niet. Ik vertrouw erop dat het antwoord vanzelf wel komt. Ik merk dan dat als ik met mijn vader ga wandelen, hij er weer het een en ander over weet. Of dat ik als ik in een boek zit te bladeren, opeens iets lees over het verschil tussen bloemetjes. Of ik heb op een dag opeens zin om die bessen te plukken en uit te proberen. Of ik stel mezelf een jaar later dezelfde vraag af, maar heb dan een jaar meer kennis en ervaring en weet het antwoord opeens. Ik zoek niet alles meteen op, want dan vergeet ik het weer en raak ik overprikkeld. De vraag leeft in mij en het antwoord komt vanzelf.

    En als ik dan terugblik op mijn wildpluktijd heb ik eigenlijk heel veel geleerd in korte tijd. Ik doe er weinig moeite voor, het ontstaat gewoon. Deze zomer heb ik denk ik wel weer tien nieuwe planten geleerd, niet omdat ik er actief op zoek ging, maar gewoon omdat het ontstond vanuit nieuwsgierigheid. Plantjes die ik bijvoorbeeld vorig jaar al zag maar niet echt benieuwd naar was. Of planten die nu pas opvallen omdat ik in de specifieke tijd van het jaar vorig jaar andere dingen aan het doen was. Of omdat andere mensen me wijzen op het bestaan van een plant. Ik ben nu zo’n 3 of 4 jaar bezig met wildplukken en ik vind echt dat ik echt onwijs veel weet. Het klinkt als een lange periode, maar denk aan 3 zomers, 3 winters. Dat is helemaal niet zo veel, de tijd vliegt voorbij en het leven zit vol met verschillende dingen. Feitelijk ben je dan helemaal niet zoveel bezig met het wildplukken.


    Maak er wat leuks van!
    Het belangrijkste is: plezier. Doe het omdat je denkt ‘wow ik heb zin om nu de natuur in te trekken en plantjes te leren kennen!’. Niet omdat je denkt ‘ik móet meer planten kennen, want dan ben ik succesvol’. Of als je nu van plan bent meer over wildplukken te leren, maar het over een maand weer helemaal zat bent: prima. Het komt en gaat, en de natuurlijke flow van je interesses volgen is iets wat ik ten volste aanmoedig.

    We leren op school dat prestatie belangrijker is dan plezier. Eérst presteren – ook dingen waar je niet goed in bent of niet blij van wordt – dan plezier. Maar plezier is wat mij betreft een voorwaarde om te kunnen leren. Ga leren waar je benieuwd naar bent, en het zal je gemakkelijk afgaan. Ik vond een tijd lang dat ik meer over paddenstoelen moest weten, maar had er helemaal geen zin in. Ik was gewoon niet écht benieuwd. En nog steeds niet. Ik weet dat het ooit wel komt, dat weet ik gewoon. En dat wacht ik rustig af. Ondertussen heb ik genoeg om me mee bezig te houden 🙂

    Ik wens je veel plukplezier, en voel je welkom contact op te nemen als je eens samen een rondje door de natuur wilt lopen!

    Liefs,
    Simone

  • Koud, kouder, koudst: wonen in een tent?

    Deze week werd ik wakker, zo voelde het. Niet wakker als in ‘woke’ of dat ik ineens spiritueel inzicht had. Maar er drong opeens een heel duidelijke keuze tot me door. Ik voelde me raar, zonderde me af, keerde me tot mezelf. De creativiteit stroomde, ik maakte dromenvangers van wilgentakken en lijsterbessen, sieraden van gedroogde sinaasappels, coilde mantjes van gedroogde pitrus, haaraccessoires, vilten bloemen. Mijn telefoon kreeg minder aandacht dan gewoonlijk en ook de fijne mensen in mijn leven liet ik het even afweten.

    Het was al duidelijk dat in de winter mijn zus een paar maanden naar Nederland zou komen. Margot woont in Canada met haar vriend, maar haar werkvisum is nog niet helemaal rond en ze vindt het ook fijn om even in Nederland te zijn. Mijn prachtige woonplek op een stukje grond bij een boer heb ik aan haar te danken. Zij was ooit de vroedvrouw bij de dochter van deze boer en zo is het balletje gaan rollen. Toen ze het aanbod kreeg in de yurt en stacaravan te trekken die op dat erf staan, sleurde ze mij mee. Ze wilde niet in haar uppie in een klein boerendorpje wonen en mijn droom kwam uit. Al snel was duidelijk: ik wilde de stacaravan (voelde echt als een klein huisje en superveel licht + mooi uitzicht) en zij wilde in de yurt (prachtige ronde natuurlijk ruimte, bijzondere sfeer). We waren perfect op elkaar afgestemd!

    Toen zij naar Canada vertrok kon ik me niet voorstellen hier met iemand anders te wonen. Het is best intiem, want in mijn huisje zitten de douche en keuken. Ik was er nog niet klaar voor en wist ook niet met wie ik er dan wilde wonen. Van de boer en boerin mocht ik de yurt ook verhuren als bed & breakfast, en zo geschiedde. Op deze manier wordt de yurt wel gebruikt, want in mijn eentje bewoon je niet zo makkelijk twee losse ruimtes naast elkaar. Ik heb nog overwogen in de yurt te gaan wonen, maar de stacaravan verhuur je minder gemakkelijk en dat was nou eenmaal ook al mijn huisje! 

    Het leven in de stacaravan was wennen. Meteen heerlijk, maar ook wennen. Je ontwikkelt nieuwe routines en rituelen, omdat het dagelijks leven er toch anders uitziet dan in een verwarmd huisje in de stad. In de winter ben je veel bezig met hout stoken en hoe pak je dat aan? Doe je de kachel aan als je toch de hele dag weg bent? Hak je al een voorraadje hout of gewoon per keer? Daarnaast woon ik ook meer afgelegen en besefte ik dat een auto geen overbodige luxe zou zijn. En inderdaad, dat gaf me veel comfort. Verder is er een grote tuin, het onderhoud van de yurt en stacaravan, en allerlei andere nieuwe zaken waarin ik mijn draai moest en nog moet vinden.

    Ik ben hier ook meer blootgesteld aan de elementen. Dat was nog wel de grootste ontwikkeling. In de zomer zit je met heel veel insecten: spinnen, teken, muggen, en vooral veel poepvliegen. In de winter zit je met de kou, storm, en diepe duisternis. Dat is ontzettend wennen! En toch, bijna elke ochtend prijs ik mezelf zo gelukkig dat ik op dit stukje paradijs mag wonen. Het is prachtig. Het is uniek. Het heeft me rust, ruimte en daarmee veel geluk gebracht de afgelopen jaren.

    En nu is het tijd voor iets primitievers. Dat voelde ik al langer borrelen. In het voorjaar maakte ik een lange afstandswandeling met tentje en het leven was zo heerlijk simpel. Kleine routines, niks bijzonders. Simpele avondmaaltijden. Elke ochtend hetzelfde ontbijtje. En de hele dag gefocust op wandelen. Ik werd er zielsgelukkig van! Na de reis bleef het kriebelen, ik dacht: kan ik niet in een tent wonen? Maar ik dacht ook: ik héb nota bene een tent naast mijn huis staan! Dus zat ik al te peinzen over verhuizen naar de yurt, maar daar had ik ook weer geen zin in omdat, tsja, het voelde als teveel moeite. 

    Toen mijn zus vertelde dat ze een paar maanden naar Nederland zou komen vroeg ik haar of ze interesse had in de yurt. Ze vertelde me volmondig JA, maar wilde het mij natuurlijk ook niet opdringen. Ik zag het als een kans misschien weer eens wat avontuurlijks te gaan doen. De yurt moet warmgestookt in de winter, de katten moeten eten. Dus normaal gesproken kan ik niet zomaar weg. Margot is vertrouwd met de plek en de dieren en met haar vriend erbij zou het met z’n drieën toch de druk worden. Ik wil al lang een taal vloeiend leren spreken, bijvoorbeeld Frans, of Arabisch. Het idee ging van touren met de auto door de Franse natuur, naar wonen en werken in een Franse stad, naar wonen en werken in een Arabische stad, naar leven in de natuur in een Arabisch land. 

    Toen ging ik naar het Archeon, met Zora. Daar liepen we door de prehistorie en ik zag de hutten van riet, de potten van klei, de touwen van planten, de bedden van stro, de dekens van schapenvacht, de vuurtjes in huis. Ik voelde me enorm geïnspireerd en getriggerd. Dit. Wil. Ik. Hoe bizar het ook klinkt: ik voel me zó aangetrokken tot de prehistorische sferen! Ik heb geen zin om het uit te leggen of te verklaren, ik heb er ook geen woorden voor. Maar het voelt gewoon goed zo dichtbij de natuur te leven. Zo eenvoudig. Zo verbonden. En sinds die dag is er een soort kettingreactie in gang gezet. Ik haalde boeken bij de bieb, ging verder met mijn touw-van-planten-projectjes, en borduurde voort op een vaag idee dat ik ooit had van wonen in een tent. Ik wilde niet meer naar het buitenland, ik had besloten: ik ga het avontuur dicht bij huis zoeken.

    Zora bood haar katoenen tent aan waar zij het jaar rond, op een paar maanden na, in heeft gewoond (lees haar blog hierover!). Een enorme bikkel, want het is een minitentje en heeft geen enkele warmtebron, zoals de meeste tenten. Ik kwam haar tent tegen op Marktplaats, maar dat bleek een twee keer zo grote en die vond ik al klein. Toen dacht ik: misschien moet ik ietsje luxer gaan zitten. Ik kan nogal naïef zijn, en vooral met deze hitte is het moeilijk voor te stellen dat het ooit nog koud wordt. Maar ik ben ook een koukleum en als ik echt wil wonen in een tent (wat momenteel echt als paradijs klinkt voor mij), moet het ook haalbaar zijn. Doodvriezen in een minitentje en daardoor nauwelijks kunnen leven gaat niet van lange duur zijn. 

    En toen zag ik mijn droomtentje. En toen, kocht ik die twee dagen later. En daar zit ik nu. Na een week van voorstellen hoe het leven in een tent zou zijn – van paklijsten maken, van beelden voor me zien hoe ik zou koken, slapen, inrichten, wildplukken, vuur maken, craften, en vooral LEVEN in een bos – heb ik al een droomtent gevonden met klein houtkacheltje erin. Ik ben niet meer kapot te krijgen. Mijn leven is volmaakt. 

    Vanaf eind dit jaar zal ik in een tentje in een bos verblijven. Voor hoelang weet ik niet. Ik begin gewoon.

    Liefs,
    Simone

    P.s. Ik neem jullie in de winter natuurlijk mee in alle avonturen van het leven in de tent, wat dat gaat ook weer een proces van nieuwe routines in kleine stapjes worden! 

  • De Haas en Ik

    De Haas en Ik

    Waarschuwing! Deze blog bevat foto’s van dode en gevilde dieren!​

    Puk heeft een haas gevangen. Wéér. Dit is nu de vierde. De eerste was vorig jaar in de vroege zomer. Ik zou de volgende dag op vakantie gaan. Ik zat binnen, het was avond, en ik hoor het kattenluikje piepen. Automatisch verwacht je dan een kat te zien, maar ik zag geen kat. Was ze bij het luikje blijven zitten? Toen ik opstond en ging kijken, zag ik dat er niet alleen een kat binnen was gekomen. Puk was al haar krachten aan het inzetten om de bijna volwassen haas ook door het kattenluikje mee naar binnen te trekken. De haas was dood, gelukkig. Ik schrok! Ik heb misschien wel een uur met de nog warme haas op schoot zitten huilen. Echt tra-nen met tuiten. Zo’n prachtig beest. Zo’n prachtig natuurverschijnsel. Gedood alleen omdat mijn kat haar jagersinstinct een beetje moet praktiseren. Maar ook tranen van verwondering, van de zachte donzige vacht, van de enorme poten en oren, van zo’n machtig dier van dichtbij mogen zien. 

    De haas was nog helemaal intact en ik dacht eraan om hem te villen. Maar ik had geen idee hoe, wist niet waar ik moest beginnen, en ik zou de volgende dag vroeg vertrekken. Ik gooide hem weg, in de groene kliko. Dat ging knagen. Ik had zo’n prachtig beest die je notabene kunt eten, gewoon weggegooid! Ik beloofde mezelf: als ze ooit wéér een haas vangt, dan ga ik die villen. Ik zwoor het mezelf, want ik voelde me ontzettend schuldig dat ik de haas in de KLIKO had gegooid. Hoe respectloos! Niet eens een ritueel, niet eens teruggegeven aan de aarde. Hij is vermalen en op de composthoop belandt. 

    Later dat seizoen zat ik rustig een kopje koffie te drinken in de tuin, toen ik hard gekrijs hoorde. Gegil, eigenlijk, een hoge schelle toon van paniek. Ik sprong op van de bank en wist niet waar ik kijken moest, waren dit vogels? Ik hoorde wel dat er nood aan de man was dus ik zocht naarstig waar het geluid vandaan kwam tot ik Guus, mijn andere kat, keihard naar de koeienstal zag rennen. Toen wist ik genoeg: als er een kat op af rent, zal het iets leuks zijn voor katten. Ik rende achter haar aan en stond oog in oog met Puk op het slachtveld. Ze had weer een middelgrote haas tussen haar tanden, een boze haas dit keer. Ik schreeuwde, klapte in mijn handen en ze liet van de schrik los. De haas wist niet hoe snel hij de koeienweide in moest rennen, Puk bleef gelukkig bij me. Die schreeuw van de haas liet echt een steek in mijn hart achter. Het ging door merg en been, en was een noodkreet. En het had geholpen!

    En toen was het dit voorjaar zover. Nietsvermoedend werd ik wakker, voltooide mijn ochtendritueeltje (wat niet echt een ritueel is omdat deze per dag verschilt) en wilde wat pakken uit mijn knutselkamertje. Ik woon in een stacaravan die aan één korte zijde twee kamertjes naast elkaar bevat. Het ene kamertje is mijn inloop-kledingkast, het andere kamertje was ooit een slaapkamer, maar dat vond ik te benauwd. Nu heb ik met behulp van mijn vader een grote kast met al mijn knutselgerei (van papier tot kraaltjes tot stofjes tot tijdschriften en ga zo maar door) en een groot bureau neergezet. Ik liep daarnaartoe, en wist eerst niet wat ik zag. Het was namelijk een haas zonder bips en met veel bloed en dat ziet er nogal vreemd uit. Helemaal als je net wakker bent. Toen ik doorhad dat het een haas was dacht ik: ja Simone, nu moet je wel. Ik heb hem eerst even laten liggen en ben filmpjes gaan kijken van hazen villen, waar ik helemaal niet goed van werd. Maar ik móest het doen (achteraf leerde ik dat je het dier beter eerst een paar dagen kunt laten besterven, waarom snap ik nog niet helemaal).

    Ik bewaarde de haas even in een teiltje, tot ik had uitgevonden wat ik ermee moest. Instagramvolgers tipten me, en die filmpjes in combinatie met mijn bushcraftboek hadden met toch genoeg handvatten gegeven. Aan een touw, gejat uit het klushok van de boer, hing ik de haas aan één achterpoot op aan een van de balken van de buitenkeuken. Eronder legde ik een vuilniszak voor het geval het een bloederig troepje zou worden. Ik zette mijn camera aan, zodat ik het gevoel had dat er iemand meekeek en waartegen ik kon vertellen wat ik deed. De voorbereidingen waren ranzing, maar toen ik eenmaal die haas had hangen en mijn zakmes (het enige echt scherpe mes dat ik heb) gereed had voelde ik me moedig. Ik sneed de haas open en met horten en stoten kreeg ik het vel er redelijk netjes af. Halverwege legde ik de haas toch op de grond, want terwijl ik het vel eraf probeerde te trekken brak ik ook de botten van de achterpoot waardoor hij bijna op de grond viel.

    Toen ik het vel eenmaal netjes eraf had verbaasde ik me over hoe ‘schoon’ dat proces is. Er komt niks bijzonders bij kijken. Geen vloeistoffen zoals bloed, poep, plas, zweet of wat dan ook. Je hebt gewoon een haas over, zonder velletje. Het voelde bijna absurd om het daarbij te laten. Ik belde Tim op, die veel weet over bushcraften en survivallen. Hij heeft permanent een survivaltas in de kast staan voor het geval dát. Maar ook omdat het een avontuurlijk en vrij gevoel geeft. Er zitten de meest vernuftige spulletjes bij en ik heb ontzettend veel van hem geleerd over het overleven met weinig. Hij moedigde me aan de haas gewoon open te snijden, gewoon een poging te wagen. Toen ik ophing maakte ik een gat in het vel bij de borstkas, dat had ik online gezien. Daar zit gewoon lucht, dus je kunt vanaf daar het vel verder opentrekken en dan zie je puntgaaf alle organen liggen. Ik was zo verbaasd! Alles was mooi, schoon, goed te zien. De darmen, de lever, de nieren. Wauw! Nu wist ik dat ik alles eruit moest halen en daarmee sneed ik helaas een ader open. Toen het eenmaal ging bloeden stond ik kokhalzend boven de haas. 

    Ik sneed gauw wat zichtbare stukken vlees eraf bij de borst en rug. Ik brak de achterpootjes af omdat daar ook veel vlees aan zat (dat breken voelde ook minder smerig dan ik eerst dacht). Ik wilde het mezelf niet te moeilijk maken. De haas begroef ik in een terra cotta pot met aarde, want ik had net een Instagramaccount gezien van een Amerikaanse vrouw die sieraden maakte van botten van roadkill (en de huid gebruikte ze natuurlijk ook). Dat vond ik heel wijs.

    Het vlees kookte ik maar gewoon. Ik wist niet zo goed wat ik er anders mee moest. Ik gaf het aan de poezen want durfde het zelf niet op te eten, misschien had ze hem wel kunnen vangen omdat hij verzwakt en ziek was? De boer – op wiens erf ik woon – maakte zich daar niet zoveel zorgen over. Die vond het dapper dat ik de haas had gevild en moedigde me aan het te proeven. Een klein stukje nam ik, kruidig dat het smaakte! Verrukkelijk! Later kwam een collega op bezoek en hij wilde ook proeven, samen durfde ik wel. Het was een prachtig proces om Puk haar prooi te eten kunnen geven en voor het eerst in mijn leven mijn eigen wild te hebben bereid.

    De huid was bewerkelijker. Ik heb hem een nachtje in de urine gezet, toen uitgespoeld. Toen op een houtenplank vastgespijkerd (opgespannen) en het vlees er geprobeerd af te schrapen. Daarmee heb ik veel gaten gemaakt, een teer huidje zo’n (jonge) haas! Toen heb ik het vel ingezouten en er af en toe wat extra zout erop gestrooid. Ruim een week later pas heb ik het zout eraf gehaald en de vacht schoongespoeld met water. Ik was van plan dat eerder te doen maar kwam er steeds niet aan toe. Dat leek niet echt een probleem. Ik heb hem gewassen met warm water en shampoo, heerlijk was dat! Het leek toen wel een lelijk vodje, maar het droogde prachtig zacht op. De kant van het vel had ik eigenlijk direct in moeten smeren met iets verzachtends, en ik heb de huid ook niet gelooid (opgerekt zodat de vezels breken en het soepel wordt). Daarom voelt het nu aan als papier, maar verder is het een prachtig gelukte vacht geworden!

    Deze ervaring maakte echt iets ‘wilds’ in mij los. Ik voelde me een oervrouw en had blijkbaar plezier in het proces. Ik vond het fantastisch dat dit zo spontaan was ontstaan – ik hoefde geen cursus te doen om dieren te villen, ik leerde het gewoon uit de praktijk! Natuurlijk was het nog een beetje amateuristich allemaal, maar dat mocht ook van mezelf. Met de ervaring zou dit proces steeds beter gaan. Het voelde bijzonder dat Puk dit zo op mijn pad had gebracht, hoewel ook bruut. De haas ging op deze manier iets bijzonders voor mij symboliseren, wat het eigenlijk altijd al had gedaan.

    Voordat ik ooit tattoo’s had droomde ik over een armsleeve met een haas. Ik weet niet precies meer waarom, ik wilde gewoon een haas. Nu zag ik de haas als het symbool voor het boerenlandschap en daarmee het leven in een boerenlandschap: mijn leven nu dus, op de boerderij, in de stacaravan. Ik zie ontzettend vaak hazen, ik zie wel eens een nestje jonge hazen tussen de koeien, ik zie ze als ik door de omgeving fiets, en helaas zie ik ze soms wel eens platgereden op de weg. Ik leerde van boswachter Arjan Postma in zijn boek ‘Buiten gebeurt het’ dat hazen ontzettend brute beesten zijn. Ze kunnen zwemmen (wat?!); ze kunnen hoeken van 90 graden maken, rennend, zonder snelheid te verliezen; en ze leven niet in holen maar solistisch boven de grond in weer en wind. Wat een helden! En de bijzondere ontmoetingen met de haas die ik dankzij Puk had, brachten me weer een stukje dichterbij mijn wens om intensief met de natuur samen te leven. En daarom wilde ik alsnog die hazentattoo en zette Nora Pruyser haar prachtige ontwerp op mijn bovenarm.

    En dan zijn we eindelijk bij het nu. Een koele zomeravond na een – weer – hete dag. Puk rende naar binnen met een gevaarte in haar bek, ik dacht eerst een rat, maar het had lange witte poten. Een babyhaas. 

    Ze legde het weer in datzelfde kantoortje. Ik ging ervanuit dat het dood was, dus pakte het op, boos op Puk. Maar ze griste het weer uit mijn handen en rende ermee naar buiten. Daar bleek het nog te leven: ze gooide hem in de lucht en de haas piepte uit alle macht. Ze nam hem opnieuw mee naar binnen en kwam toen zonder haas naar me toe gelopen. Ik sloot snel de deuren van de kleine kamertjes en ging zoeken, maar kon niks vinden. Hij bleek verstopt in een slaapzak die daar nog op de grond lag. Een half uur heb ik met het kleine beestje in mijn handen gezeten, die nog steeds piepend ademhaalde en bloedde uit zijn kleine bekje. Maar hij gaf niet op. En zodoende: ik heb hem een donker plekje gegeven waar geen kat bij kan en kijk morgen wat het lot voor dit haasje in gedachte had.

    En als het sterft? Zo’n klein beestje villen? Nee, dat haalt niks uit. Opzetten? Misschien ook niet (dat kan ik ook helemaal niet, maar ik heb laatst een dode buizerd gevonden en iemand gaat me helpen deze op te zetten, dan zou dat haasje vast meteen ook gedaan kunnen worden). Misschien dat als dit schatje het niet redt, ik het een passend afscheid geef.

    Liefs,
    Simone

  • Klein genot

    Vanochtend werd ik lichtelijk chagrijnig wakker. Ik baal daar dan meteen van, want ik vind dat met het leven dat ik leid ik weinig te klagen heb. De zon schijnt, de poezen liggen te spinnen op de dekens, wachtend tot ze hun brokjes krijgen. Ik mag zolang doen over opstaan als ik wil, en het eerste wat ik ga doen zal koffie of thee zetten zijn. Mijn uitzicht vanaf bed is weiland, koeien en in de verte bos en mijn enorme tuin strekt zich rondom mij uit. Ik kan met blote voetjes in het gras gaan staan terwijl ik een zwerm spreeuwen hoor kwetteren vanuit één van de vier hoge eiken.

    Waarom ben ik dan humeurig? Ik graaf terug in mijn brein of er de avond ervóór misschien een lichte teleurstelling was, een irritatie aan iemand, een spanning over de toekomst of een ‘to-do’ waar ik tegen opzag. Ik ga na waar in mijn menstruele cyclus ik me bevind en of het misschien daar aan ligt. Of heb ik misschien teveel gedaan de afgelopen dagen, dat ik nu een beetje bij moet komen?

    Gelukkig merk ik door de grijze wolk heen dat ik veel heb om dankbaar voor te zijn vandaag. Ik hoef er alleen maar even op te focussen, op in te zoomen, ze uit te lichten. Want inderdaad, die zon is geweldig, ik houd van mijn poezen, en kijk nu al uit naar mijn bakje koffie in de buitenlucht! Soms word ik wakker en overweldigt dat gevoel van dankbaarheid me, zo’n dag was gisteren. Vandaag moet ik mijzelf er echt aan herinneren. Ik besluit de kleine genotsmomentjes gewoon met mensen te gaan delen, zodat ik er vandaag zelf ook bewuster van ben.

    De kracht van Instagram is ‘verbeelding’. Verbeelding van wie je wilt zijn, van hoe het leven kan zijn. Ik word heel erg blij van Hobbitsferen, fantasy, geschiedenis, natuur, wildernis, romantiek, rust, eenvoud, gemoedelijkheid. Als het leven me even niet bevalt roep ik op verschillende kanalen beelden op die me herinneren aan hoe het leven kan zijn. Beelden die schoonheid en genot benadrukken. Ik herinner me dat ik me in de winter een kansloze bejaarde voelde die niks deed met haar leven, en toen kwam ik een plaatje tegen van een tevreden, breiende, haas bij een houtkachel (met een potje thee erop en sneeuw zichtbaar door de raamkozijntjes) en vond ik mezelf opeens een kneuterig, tevreden mens die genoot van een kalm tempo.

    Je kunt ook door wat je zelf deelt met de buitenwereld jezelf vormen, jezelf verbeelden. Door vandaag kleine genotsmomentjes te fotograferen en te delen met publiek, vond ik mezelf opeens ‘iemand die geniet van kleine dingen’. Zo kon ik mijzelf een richting op duwen naar iemand die ik wilde zijn vandaag. En ja, het hielp, een beetje. Ik liet mijn sombere bui de pracht van de dag niet overschaduwen. Tegelijkertijd besefte ik ook dat ik niet altijd hóef te genieten. Het is geen ramp om niet altijd extatisch dankbaar te zijn voor alles.

    De afgelopen dagen was ik juist zó dankbaar en besefte ik dat ik dit enorme gevoel van verlichting (in de ‘lichter worden’ zin van het woord, niet in de spirituele zin) en opleving na de winter ook echt komt doordat ik de duisternis van de winter zo diep ben ingegaan. Het waren een heel duistere paar maanden, maar niet voor niets. Ik heb een hoop ballast van me afgeschud, waardoor ik me nu geïnspireerd, vrij, gemotiveerd en dankbaar voel. Dus als ik me dan even somber voel, besef ik me ook: somberheid toelaten schept uiteindelijk ruimte voor meer licht.

    En toch, ook juist wanneer ik me chagrijnig voel kunnen kleine momenten alles de moeite waard maken. De zon. Mijn poezen. Het kopje koffie. Blote voeten in het gras. Kwetterende vogeltjes. Weids uitzicht. Als alleen dat al mijn dag succesvol kan maken, haalt het een hele last van mijn schouders en voel ik me alweer vrijer, vrolijker.

    Liefs,
    Simone