• Janken in de tent

    Janken in de tent

    De eerste mental breakdown in 2,5 maand, nog best netjes. Ik heb dus het Noorden bereikt en lig al twee dagen voor pampus in m’n tent. Op een fijne camping, gelukkig wel. Er is een apart veldje voor trekkers en het is een stille plek. De douches zijn top en de supermarkt ook, bovendien zit er een chocoladecafé op een half uurtje lopen. Maar daarmee is alles ook wel gezegd, voor de eerstvolgende eetgelegenheid heb je echt een auto nodig.

    Ik ben zó ontzettend moe dat ik bang ben dat er iets mis met me is. Vitaminetekort? Een ziekte? Of ben ik gewoon zwak? Alleen die zoektocht al vermoeit me nog meer en zuchtend pak ik dan maar weer mijn boek erbij voor afleiding. Een wandelingetje probeer ik nog wel te maken, maar het liefst laat ik me dan ter plekke door mijn benen zakken. Het gras ziet er zo aangenaam uit om in te liggen!

    Oké, fietsreizen is best intensief. Maar dat doen toch wel meer mensen en die trekken dat toch ook prima? Waarom doe ik dan zo moeilijk? En zó heftig doe ik het nou ook weer niet, ik vertrek meestal niet vóór tienen en bij uitzondering zet ik eens na zes uur mijn tent nog op. Kortom: ik zou niet zo moe moeten zijn.

    Maargoed, heel veel invloed heb ik er ook niet op, dus klaag ik erover tegen vriendinnen die bevestigen: “Simone, niet alleen is het fietsreizen en het kamperen intensief, je bent de laatste tijd ook nogal.. eeh.. streberig”. Zo appte ik Zora vandaag wat een verspilling wc-papier eigenlijk is, hoeveel we daarvan gebruiken en dat dat allemaal van bomen moet komen. Dat moet toch anders kunnen? Maarja al te veel water wil je ook weer niet verspillen en een beetje hygiëne is ook wel fijn. Lastig dilemma.

    Gister kocht ik een klein pocket vogelboekje omdat ik dat toch wel miste, vandaag voel ik me schuldig, want ook dáárvoor zijn bomen nodig. Dat ene boekje doet ’t hem niet, maar een algehele cultuur van jaarlijks miljoenen boeken drukken en alles maar weer consumeren en je huis ermee volplempen terwijl je het misschien een paar keer bekijkt en er honderden leuke boeken bij elke willekeurige kringloop liggen, dat is het probleem. En met mijn aankoop heb ik alleen maar bevestigt dat zelfs iemand die van de natuur houdt net zo keihard meewerkt aan het vernielen ervan.

    Het probleem: ik heb weer eens een serieus boek gelezen over klimaatverandering. De reden dat ik vooral graag jeugdboeken of makkelijke romannetjes lees is dat serieuze en kritische boeken me vrijwel altijd doen wankelen. Deze ging over het verlies aan bossen op het Noord-Amerikaanse continent en was zowel mooi als in en in verdrietig. Daarna was ik weer helemaal klimaatdepri.

    Tijdens het fietsen ben je blootgesteld aan de natuur, maar ook aan alle menselijke elementen van de moderniteit. Zo klaagde ik al over lawaai van auto’s, maar ik kom ook langs kilometerslange kaalgekapte heuvels, zie stranden vol liggen met plastic visserstouwen, en lagen in het Zuiden van Schotland de bermen vol met afval. Als je in dit deel van de wereld dichtbij de natuur wilt leven word je ook onvermijdelijk geconfronteerd met het besef dat dit eigenlijk nauwelijks mogelijk is. De mens is overal en de hoeveelheid gezonde ecosystemen neemt af.

    Meestal probeer ik het positieve te benadrukken. Te zien wat er méér kan, in plaats van minder. Ik wil meer leren over vogels en eetbare planten, wil me makkelijker aan kunnen passen op de elementen en probeer in elk stedelijk gebied te zien hoe mooi de plantjes zijn in plaats van hoe lelijk het beton. Maar na het lezen van zo’n boek gaat er een knop om in mijn hoofd en zie ik opeens overal de lelijkheid en verderf en vooral ook hoe ik er zelf net zo hard aan bijdraag.

    Ik zou willen dat ik weinig nodig had, dan zou ik zo’n kleine last voor de aarde zijn én het zou zoveel vrijheid geven. Weinig eten, weinig luxe, weinig rust. Dan zou ik ook weinig geld nodig hebben en kunnen doen in het leven waar ik zin in heb. Maar hoe weinig luxes ik al heb, veel minder lukt me gewoon niet. Ik word gewoon blij van een middagje hangen in een café met havercappu’s en een brownie. Ik word gewoon blij van af en toe in een hostel slapen en mensen ontmoeten. Ik word blij van leuke boeken, van af en toe bijkomen op een camping als afwisseling van het wildkamperen. Ik word blij van biologische voeding, van lekker eten en van een biertje op z’n tijd. Ik word blij van leuke cursussen en van af en toe mooie spullen: een nieuwe tent, een verrekijker, een mooie ring, barefootschoenen. Maar ik vond de afgelopen weken dat dat bullshit was en ik minder minder minder moest.

    Mijn lichaam geeft de grens aan, gelukkig, en mijn vriendinnen spiegelen me. Opeens besef ik hoe weinig ik at de afgelopen weken. Een paar broodjes en wraps op een dag, en als ik een hele chocoladereep naar binnenwerkte vond ik mezelf al gulzig. ‘Jemig, er zijn mensen die niets eten en kijk wat jij naar binnen propt’, dacht ik dan. En dan al het plastic waarin het verpakt zat, ik walgde van de hoeveelheid afval die ik produceerde. Maar nu besef ik: ik moet meer eten.

    Het is moeilijk toe te geven dat ook ik afhankelijk ben van grote supermarktketens, van electriciteit voor mijn telefoon, van asfaltwegen. Maar ik ben relatief onbelangrijk. De verandering zit in het leiderschap, in de grote beslissingen die gemaakt moeten worden. Extinction Rebellion heeft als één van hun uitgangspunten: “Wij leven in een giftig systeem, maar we houden niemand daarvoor individueel verantwoordelijk”. En misschien is dat ook hoe we naar onszelf moeten kijken. Ik zou graag willen laten zien dat we ook zonder al die dingen kunnen die de aarde vervuilen en ongelijkheid versterken, maar misschien moet ik ook inzien dat ik dat niet binnen één mensenleven ga bereiken en zeker niet in m’n uppie. We moeten het samen doen, want: hoe kan ik zonder telefoon leven als de hele maatschappij op het hebben van een telefoon is ingesteld? Algehele afzondering of op een eilandje leven draagt dan ook niets bij.

    Ik ben onbelangrijk, voor het geheel. Maar op kleine schaal ben ik belangrijk (hoop ik, natuurlijk zit er soms ook de gedachte: waar verdien ik dit aan? Of: Wat is het nut van mijn bestaan? Maar die moet ik gewoon wegdrukken want heeft geen antwoord). Voor mijn familie, vrienden, voor de mensen die ik elke dag tegenkom. “If you want to change the world, go home and love your family”, is een quote die ik jaren geleden las en altijd bleef hangen. De grootste impact zit in de liefde die je deelt in de kleine kring om je heen. Het plastic dat je opruimt op je wandelingetje naar de supermarkt, de liefde voor natuur die je deelt met je kinderen, het kaartje dat je stuurt naar je tante. En de grote verandering zit misschien in het inzicht dat het anders moet, misschien een keer het meedoen aan een demonstratie, de kritische blik.

    Dus de knop is weer om. De verwerkingstijd van een paar weken na het lezen van een boek is weer verstreken, haha. Oja, ik mag goed en gezond eten. Oja, ik mag geld uitgeven aan comfort. Oja, ik mag echt heus wel een keer naar Canada vliegen om mijn familie te zien (toch? Die vind ik nog moeilijk haha). Het voelt soms zwak om dan maar te kiezen voor vervuilend gemak, maar wat is het alternatief? Afzien? Depressie? Lamlendig janken in de tent omdat ik voedingsstoffen tekort kom?

    Fuck wat is het moeilijk, maar ik heb net een tas vol dadels, avocado, havermout, pasta, yoghurt, kaas, chocola, mandarijnen en ga zo maar door gekocht want één ding is zeker: als ik wil blijven fietsen moet ik eten.

    Xx ❤️

  • I freakin’ made it!

    I freakin’ made it!

    De beste warme chocolademelk (van de wereld? De UK?) met twee shots espresso: de mountain mocha. Ik mag er vier bonbons bij uitkiezen. Vervolgens drapeer ik me aan een tafeltje binnen, want die felle zon trek ik niet meer.

    I made it. I freaking made it! Ik ben eindelijk aan de Noordkust, waar onder scherpe kliffen de lichtblauwe zee over wit zand buldert. De laatste twee weken stonden eigenlijk vooral in het teken van het bereiken van deze plek. Waarom weet ik niet, ik hou juist van het zwerverselement en niet van het doorbeuken. Maar misschien omdat ik een beetje opzag tegen de Hooglanden en er in eerste instantie helemaal niet van plan was naartoe te gaan. Eenmaal dichterbij het punt dat ik de definitieve keuze moest maken werd ik een beetje bang. Voor leegte, voor zware heuvels, voor het onbekende. Maar ik deed het toch, want ik had het routeboekje nu eenmaal mee en tsja, iedereen zei dat het mooi was.

    De glimmende autootjes rechts is de camping

    Lekker doorfietsen geeft ook een goed gevoel, maar het is zwaar. Opstaan, koffie zetten, inpakken, fietsen, kampeerplek vinden, eten, slapen. En tussendoor heel veel lezen. Het is hier ontzettend heuvelachtig en meerdere keren per dag duw ik mijn fiets lopend omhoog. Het is warm en in de zon voelen mijn spieren slap aan, wat de motivatie aanzienlijk doet kelderen. De bergen daarentegen zijn prachtig en ik geniet enorm van de wind door mijn haren en oeroude landschappen.

    Leeg is het hier in ieder geval niet. Ik fiets de NC500, een beroemde panoramische autoroute door Noord-Schotland. De auto’s, campers en busjes razen de hele dag langs me heen en naarmate de dag vordert en mijn moeheid toeneemt word ik er ook agressiever van. Soms roep ik keihard naar niemand in het bijzonder: ‘IK HAAAAAAAT DIE KUTAUTO’S!’ en zweer ik moeder aarde dat ik nooit meer in zo’n fucking vervuilend, lelijk en lawaaierig gedrocht zal rijden.

    Het is ook lastig qua kampeerplekken, want het liefst pak ik die langs de route. De smallere wegen zijn ’s avonds en ’s nachts heel stil, maar van de week stond ik op een waanzinnige plek – pal naast de weg. Ik dacht dat ik gek werd van het aanzwellende geluid, het gekleng van het veerooster, en vervolgens het harde voorbijrazen. Ik hoorde ze nog tot ver in het dal en soms leek het net alsof ze omkeerden en terugreden, maar zat er gewoon een bocht in de weg of stonden er net geen bomen op een plek om het geluid te weerkaatsen.

    Toch heeft deze route ook z’n voordelen. Het toerisme neemt toe en daarmee ook de Nederlanders, wat ik eigenlijk wel gezellig vind. Ik hou toch wel van ons volkje, het lompe ‘HELLOW’, de fluoriserende fietsjassen, de frisse spijkerbroeken en blije hoofden als je in het Nederlands terugpraat.

    De prachtige kampeerplek naast de weg

    Ik kwam in een fietserspeleton terecht toen ik vanuit Ullapool tegen vieren eindelijk op de fiets stapte – ik had weer eens een leuk koffietentje ontdekt. Een club van twaalf Celtic aanhangers (voetbalclub in Glasgow) die een weekje fietsten terwijl hun bagage vervoerd werd. Er zat ook een Nederlander bij en happend naar adem van het omhoog fietsen probeerden we een gesprek te voeren. Een Schotse man van de groep ging altijd een uur eerder weg omdat hij wat rustiger fietst, inmiddels hadden ze hem ingehaald. Ik bleef met hem fietsen ver achter de groep en zonder het te benoemen fietsten we de 40 kilometer daarna samen. Wijzend naar mooie bergen, vliegende koekoeken en chips etend in de berm. Toen was ik toe aan pauze en aan een tentplek, hij ging door naar zijn hotel. De dag erna ging me minder makkelijk af. Ik realiseerde me dat bergop fietsen een stuk makkelijker is met gezelschap, omdat je minder snel opgeeft en mentale afleiding hebt. Aan de andere kant kan ik beter genieten van het landschap als ik alleen ben. En dat is me toch ff net wat meer waard (hoewel: afwisseling is key natuurlijk).

    Op een smal weggetje werd ik ingehaald door een zwarte cabrio Porsche met twee kakkers erin. Rakelings scheerden ze zich langs mij heen en ik wist meteen dat het geen Britten waren, die doen altijd veel te voorzichtig. Het waren Nederlanders, gevolgd door een Britse auto die toeterde. Terwijl beide auto’s daarop in de berm voor mij parkeerden vroeg ik me af wat er gaande was en ik zag: politie! Vol genoegdoening fietste ik de zure gezichten van de mannen voorbij en riep lachend: popoooo’s! Ik had nog een paar kilometer te gaan naar de Noordkust, had tegenwind, was kapot en chagerijnig. Maar deze gebeurtenis deed me in een hysterische lachbui raken waarbij de tranen me over de wangen liepen. Ze hadden een boete gekregen voor te hard rijden, maar ze leken er niet al te veel van onder de indruk want tien minuten later werd ik weer ingehaald en riepen ze me lachend na. Toch leuk om landgenoten tegen te komen.

    M’n Schotse fietsmattie

    En nu ben ik er, in het Noorden. Ik kan weer rusten, het gevaar op midgesplagen neemt af naarmate ik Oostelijker kom en ik hoef mezelf niet meer aan mezelf te bewijzen. Ik ben zo blij dat ik deze route gekozen heb! Het geeft gewoon enorme voldoening HEEL Schotland te befietsen, hoe zwaar ook. Met de dag voel ik me meer verbonden met het landschap en voel ik al voortijdige heimwee dat ik hier ooit weg zal gaan. De zee, de schapen, de meeuwen, de gaspeldoorn, de frisse waterbeekjes, het vrij wildkamperen, de heerlijke koffietentjes, de rotspieken, de mede-buitenmensen overal. Fietsen is soms klote, zwaar, gezeik, alleen, saai, maar het blijft gewoon het geniaalste ooit.

    Nu blijf ik lekker weer een paar nachtjes op de camping. Er is een apart veldje voor trekkers dus geen risico op lelijke campers naast m’n bek. De douches zijn top, het paradijselijke strand ligt op 1 minuut lopen, de Spar ligt vol biologische dingen. En elke ochtend aan de chocoladebonbons met een mountain mocha in het enige café hier heb ik ook wel verdiend toch? En dan: naar de Orkneys? Of afdalen naar Inverness? De tijd zal het leren.

    Xxxx

  • De taal van vogels

    De taal van vogels

    Ik werd vroeg wakker van een scherpe jeuk onder mijn oksel en hoewel half slapend wist ik: TEEK. De afgelopen dagen liepen ze continu over mijn voeten, handen, benen, overal. De kleine motherfuckers. Inmiddels reizen ze met me mee in mijn sjaal, op mijn tent, en waarschijnlijk ook in mijn haar en onderbroeken. Wegvegen heeft geen nut, dan zitten ze op je hand, dus of eruit trekken of wegschieten. Klittenbandinsectjes, er is geen ontkomen aan. Dus probeer ik er maar relaxt over te doen.

    Mijn mede-wildkampeerders die in de auto sliepen vonden terwijl ik de teek met behulp van een spiegeltje eruit trok, half zes een goede tijd om wakker te worden, tachtig keer de autodeuren dicht te slaan en heel hard te hoesten en praten.  Ik probeerde nog met oordoppen in wat uurtjes te pakken, maar mijn zenuwstelsel stond op overgevoelig en zag elk kriebeltje aan voor een teek. Slapen ging niet meer lukken.

    De ochtend was aangenaam en omdat ik op een openbare parkeerplaats stond naast een arboretum (bomenpark) vond ik het sowieso wel een prettig idee mijn tent op tijd in te pakken. De rest van de ochtend genoot ik van mijn kopjes koffie, aangelengd met melk die ik de avond ervoor in de stromende rivier had gelegd ter koeling, en van de coniferengeur die het zachte meiwindje met zich meebracht. Een mereltje hopte om me heen met krioelende wormpjes in zijn snavel en ik las verder in deel twee van De Reiziger (Outlander).

    Het bos is zo prachtig in de lente. Vooral van de beuken met hun felgroene blaadjes met zachte witte haartjes geniet ik enorm. Ik kwam de afgelopen week nog langs een groot tuinenpark met exotische planten, en aangezien ik plantengek ben overwoog ik er 15 quid voor neer te leggen. Maar toen bedacht ik me dat ik net zo blij word van de gaspeldoorn en kleine berkjes langs de weg en fietste ik maar weer door. Toch ging mijn hart wel sneller kloppen van dit arboretum. Met mijn schriftje en pen in de hand, een af een toe luide ‘what the fack?!’ bij het zien van een enorme mammoetboom, struinde ik door dit park waar verder geen mens te zien was. En aangezien ik toch moe was van vijf lange fietsdagen en van diezelfde dag een klim van tien kilometer in de brandende zon, vond ik de parkeerplaats ernaast perfect voor mijn tentje. De prachtige waterval voorzag me van een frisse duik en ijskoud water, een betere plek kun je je niet wensen.

    Of misschien toch wel, want de nacht ervóór stond ik op een grasveldje onder lariksbomen aan een stil strandje. Daar zwom ik in de zee en las ik mijn boek in de avondzon, met uitzicht op de oneindige verte. Ik sliep zonder ook maar een auto of mens te horen, terwijl ik toch dichtbij de weg stond. Een verlaten plek, die ik bij stom toeval had gevonden. Ik had al zestig kilometer gefietst en veel potentiële plekjes gepasseerd omdat ze het even nét niet waren. Teveel in het struikgewas, te moeilijk bereikbaar met de fiets, teveel mensen, te dichtbij de weg. Ik was moe en besloot: ik ga nog één bocht om en als daar geen goeie plek is keer ik terug naar eentje vijf kilometer terug. Om de bocht was een plek, en lang stond ik er te dubben. Dichtbij de weg. Middenin de wind. Maar opzich wel een prima grasveldje.

    ‘Nee!’, zei ik hardop. Mijn regel is: ik ga net zo lang door tot ik de perfecte plek heb, of totdat ik móet stoppen omdat ik te moe ben of het donker word. En ik heb nog wel energie, dus ik ga gewoon door. Mijn kampeerplekken staan niet alleen in dienst van de fietstocht, ik doe het ook om het kamperen zélf. Lekker lange ochtenden in de natuur doorbrengen, of genieten van mijn decafé bakkie in de avond: het kan alleen als ik me relaxt voel op de plek.

    Dus toch door, teruggaan slaat nergens op. Daar doen we niet aan. En jahoor, twee minuten verder daalde de weg naar een klein bosje aan het strand. Uit de wind, een platte plek, geweldig. Een vrouw op blote voeten en zonder tanden vertelde me dat mensen er wel vaker staan en dat ik er lekker van moest genieten. De volgende ochtend zou ze er weer zijn met haar kleinzoon die ging zwemmen, vertelde ze. Aangemoedigd door zijn dapperheid waagde ik zelf ook een duik. Met blote borsten in de warme zon dook ik kopje onder en het was fantastisch. Dit is leven.

    Intussen vordert de reis naar het Noorden lekker. Parallel aan mijn route, meer het binnenland in, loopt ook de Cape Wrath trail (hike) die ik ooit met Zora zou doen. Maar toen hadden we toch geen kracht voor natte voeten en voedselpakketjes vooruit sturen en gingen we naar Wales. Dat was ook leuk.

    Op een eenvoudige communitycamping die op donatie werkt, heel fijn, raakte ik in gesprek met een blije man met op zijn busje ‘Thistle Trekkings’. Samen met een collega begeleidde hij een groep wandelaars op de Cape Wrath trail. Deze week reed hij het busje met iedereens bagage van plek naar plek en wandelde zijn collega met de groep, volgende week doen ze het andersom. Ik ben hem nu al drie dagen achter elkaar tegengekomen, hij hangt overdag wat rond in de bergen en doet wat wandelingetjes en rijdt mij dan weer voorbij op weg naar de volgende plek. Elke keer weer lachen en even kletsen, elke keer heeft hij weer nieuwe tips. ‘Oh als je de andere ingang neemt bij de watervallen kun je er gratis heen’. ‘Bij Cape Wrath zit een leuke bothy (leegstaand hutje waarin je kan overnachten), moet je heen!’. ‘Je kunt ook wel op boerenland kamperen hoor, als er maar geen vee loopt’. Ik hoop dat ik hem in Cape Wrath tegenkom, het eindpunt van zijn route en het meest Noordelijke punt van mijne. Dan doen we een biertje (weet hij nog niet).

    Begin deze week was ik ook nog op het beroemde eiland Skye, waar ik twee nachtjes in een hostel bleef. Hostels zijn prijzig maar leuk, omdat je er lekker onder de mensen bent en een keuken vol met apparatuur hebt. Het begint een traditie van me te worden om brandnetelsoep te maken als ik in een hostel ben, dus dat deed ik deze keer ook, onder luid geklets van verschillende groepen Fransen. Hoewel ze de neiging hebben meteen op Frans over te gaan bij het zien van landgenoten, kon ik me toch nog een beetje mengen in de groep en speelden we een paar potjes pool waar ik opeens heel goed in ben (beginnersgeluk).

    Skye zelf ben ik toch niet gaan bewonderen. Heel Schotland is mooi, en ik wilde naar het Noorden. Ik heb zin om dat hoogste punt te bereiken! Bovendien was het hondsdruk op Skye en werd ik continu de berm ingebonjourd door alle campervans, dus was ik snel weer van het eiland af. Dat doe ik een andere keer wel, met de auto ofzo.

    Tijdens het fietsen zit ik vaak hardop tegen mezelf te praten, liedjes te zingen,  me te ergeren aan alle spierkracht die ik nodig heb voor een berg, maar inmiddels ook mijn nieuwe hobby uit te oefenen: luisteren naar vogels. De eerste nacht op Skye verbleef ik in een community die ik bij toeval op Google Maps had gevonden. Een prachtig bos met permacultuur tuin, maar momenteel was alleen de eigenaar aanwezig. Na covid en Brexit waren veel bewoners terug naar hun EU-land vertrokken en inmiddels voelde hij er weer voor om langzaam de community op te bouwen. Een beetje verrast door het feit dat het just him was en nog even wennend aan zijn manier van doen, bracht ik de avond met hem door aan het kampvuur. Even wist ik niet of ik wel veilig was, was hij te vertrouwen? Maar ik zette mijn tentje toch maar op in het bos en een kwetterend roodborstje vertelde me dat het allemaal wel goed zou komen.

    Hoewel een beetje eigenaardig, wellicht door kluizenaarschap en neurodivergentie (zegt hij zelf), had hij toch een boeiend levensverhaal en deelden we onze ervaringen over het leven in de natuur. Hij wees me daarbij op de rol van het luisteren naar vogels, omdat deze je van alles kunnen vertellen over wat er gebeurt in een bos. Ik weet wel redelijk de basics van vogels, vooral hun uiterlijkheden, maar van alle verschillende geluidjes weet ik weinig. Meestal geef ik het bij voorbaat al op, omdat ik dan zoveel gekwetter hoor dat op elkaar lijkt en ik geen idee heb waar ik moet beginnen.

    Maar zijn benadering bracht me op een nieuw spoor. Het gaat niet zozeer om elk geluidje een naam kunnen geven, maar meer om er gevoel voor te krijgen. Hetzelfde heb ik met planten: pas als ik een plant vele keren heb gezien, begin te zien hoe hij zich onderscheidt van vergelijkbare planten, en de verschillende stadia ervan begin in te zien, zoek ik de naam op. Die vergeet ik dan nooit meer. Maar de naam is ook ondergeschikt aan de herkenning. Continu observeren, dat is de sleutel van de taal van de natuur leren spreken. En daarmee ben ik nu ook begonnen met vogels. Het neemt een hoop frustratie weg, ik hoef de geluidjes niet te labelen. Met nieuwsgierigheid probeer ik ze gewoon van elkaar te onderscheiden en te denken, ‘hee, was dit nou ook het deuntje wat ik gister de hele tijd bij mijn tent hoorde?’. ‘Hee, hij wijkt opeens af van zijn melodietje’. ‘Hee, deze vogel blijft non-stop in deze boom fluiten en elk ander vogeltje is er maar heel eventjes, hij zal wel de baas zijn hier!’. ‘Hee, ik ben hier middenin het bos en toch hoor ik geen vogel, zouden ze verder weg van de bulderende rivier zitten zodat ze elkaar – en eventuele gevaren – beter kunnen horen?’. Observeren is leren, een van de redenen dat ik continu buiten wil zijn.

    Nu blijf ik even in Ullapool, even een dagje rust voor mijn kuiten, knieën, en algehele lijf. Een lelijke camping waar ik weer voor moet betalen, het voelt krom als je kijkt naar alle prachtige wildkampeerplekken die er zijn. Maar hiermee heb ik even het gemak van mijn tent laten staan, elektriciteit en een supermarkt om de hoek.

    Liefs!

    P.s. De landschappen hier zijn waanzinnig, ongelofelijk, afschuwelijk mooi

    P.p.s. Ik heb nog van alles beleefd en bergwandelingen gemaakt en mensen ontmoet, maar ik hou het ff tot de kern hier.

  • Tot nooit, Fort William

    Tot nooit, Fort William

    Het is zo verleidelijk om te blijven. Om dingen niét te doen. Om het oude te behouden. Het voelt zo comfortabel, en beweging voelt oncomfortabel. Het onbekende, bah, griezelig. En zo sliep ik vijf nachten op de camping bij Tobermory. Niet alleen uit angst hoor, ook gewoon omdat het er ontzettend fijn was. Ik zou er zo weer terug gaan! De Française was twee nachtjes gebleven voor het muziekfestival en we genoten daar volop van. Biertjes in de zon, wandelingen door het bos, koffietjes halen bij ons favoriete tentje. Toen zij weg was genoot ik net zo hard van dat ritme, zelfde koffietentje, op hetzelfde bankje opdrinken met uitzicht over de haven en gekleurde huisjes. Naar een museumpje, her en der wildplukken (altijd). Heerlijk gemoedelijke dagen en ik kon er geen genoeg van krijgen.

    Ik zou natuurlijk voor altijd kunnen blijven, maar was dat echt wat ik wilde? Ik bleef maar twijfelen over het vervolg van de route, helemaal naar Noord-Schotland of afbuigen richting Inverness. Het Noorden voelde eng. Leeg, boomloos, mensloos, ver weg, veel heuvels. Ergens wilde ik er wel heen maar zag ik er gewoon erg tegenop, de grootsheid van de afstanden en de onbekendheid van hoe het zou gaan zijn, en dat verlamde me. Maar ik móest weer een keer die drempel over en met een misselijk gevoel en onder live Whatsapp-support van Zora pakte ik op een zonnige ochtend mijn spullen in. Natuurlijk moest ik nog een keer koffie halen bij dat geweldige tentje en een bloemkool-bhaji (soort pasty, echt goddelijk) en zat ik nog een laatste keer in de bloedhete zon in de haven van Tobermory. Pas na het middaguur pakte ik de ferry, terug naar het vasteland. ENG! En ik had nog nooit zo weinig zin gehad.

    De eerste heuvels dienden zich gelijk al aan in een soort Texas-achtig gebied. Droge bruine heuvels, megastallen en een brandende zon, maar die heuvels kwam ik eigenlijk best goed op. En dat is het heerlijke van fietsen: die endorfinekick van het bewegen en de adrenalinekick van het keihard de berg afracen. En wat is het, oxytocine misschien, bij het zien van de WAANZINNIGE landschappen. Het blijft te bizar, maar het is gewoon overal mooi hier. Overal!

    Zora had al gezegd: ‘als je weer op de fiets zit, vind je het weer top. Mark my words’. En gelijk had ze, naarmate de uren verstreken werd ik gelukkiger. Qua wildpluk had ik wat minder geluk die dag, dus toen ik een tuin zag vol met zevenblad dacht ik dat ik dat vast wel even mocht plukken net buiten het hek. Nieuwsgierig (of verontwaardigd?) kwam toch de eigenaresse naar buiten en vroeg wat ik dan deed met zevenblad en zo stonden we een tijdje te ouwehoeren. Gezellig, volgende keer bel ik wel even aan voordat ik ga plukken, haha!

    Er zijn zoveel goede kampeerplekjes in Schotland, dat je echt kieskeurig kunt zijn. Dus reed ik aan heel veel optionele plekjes voorbij, die allemaal net niet aan mijn voorwaardenlijstje voldeden:

    -absurd mooi uitzicht
    -redelijke afstand tot de weg
    -platte grond
    -uit de wind
    -aan het water (want wassen en zwemmen)
    -makkelijk te bereiken met fiets
    -een bankje of picknickbank

    Eigenlijk vind ik altijd wel weer een goede plek. Soms ben ik bang dat ik aan de beste mogelijkheid van die dag voorbij rijd, maar het wordt altijd beter is gebleken. Die avond zat ik rond het kampvuur met medewerkers van de lokale whiskeydistilleerderij nadat ik een duik had genomen in de ijskoude zee. Een parkeerplaatsje, met prachtig grasveldje, een picknickbank en aan zee. Ik kreeg een koud 0.0  biertje van de vanlifers die er ook stonden (Youtube: Ardview Vanlife) en ’s avonds kwam er nog een snorkelaar langs om scallops te zoeken (soort grote mossels) en bekeek ik hoe hij al zwemmend werd achtervolgd door twee zeehonden.

    Wat me de drempel over hielp om weer te gaan fietsen was het plan om naar Inverness af te buigen in plaats van naar het Grote Onbekende Noorden te gaan. Die splitsing zou pas later komen, maar toen ik eenmaal weer op de fiets zat  klonken beide opties eigenlijk wel weer goed. De whiskeybrouwers vertelden me rond het kampvuur hoe waanzinnig het in het Noorden zou zijn en toen ik mijn angst uitsprak zei de Zweedse vrouw van het gezelschap: ‘it’s more desolated here than there’. Dus toen ik de volgende – wederom zonnige – dag weer heerlijk blij op mijn fietsje zat twijfelde ik geen seconde bij de splitsing. Noch noorderwind, noch steile heuvels, noch midges, noch mijn angstige stemmetje konden me tegenhouden. HIGHLANDS HERE I COME! Heb wel even een hoofdnetje aangeschaft want de midges (kleine terrormugjes) beginnen al te komen.

    Tot nooit, Fort William

    Die dag had ik de smaak sowieso goed te pakken en ik knalde zo zestig kilometers heuvel op en af, in de warme zon. Bij elke volgende klim in de verte zei ik tegen niemand in het bijzonder: ‘nee, ik vertik het! Mij krijg je die berg niet op!’. Maar toch deed ik het (beetje Toon Tellegen gevoel bij). Bergen lijken sowieso van een afstandje altijd heftiger dan tijdens de klim zelf. Uit de verte zie je alleen hoeveel hoogtemeters het zijn, zonder de afstand te zien. Soms lijkt een berg ziek heftig, maar heb ik ter plekke niet eens door dat ik stijg. Een beetje metaforisch voor deze week: als je alleen naar het geheel/eindpunt kijkt kan het zwaarder lijken dan het daadwerkelijk is.

    Misschien was ik wel ietwat overmoedig, want mijn knie begon een beetje pijn te doen. Dus ik beloofde mezelf de heftige heuvels iets vaker lopend te doen in plaats van mijn lichaam naar de gedver te helpen. Ik denk steeds weer als ik fiets: ‘Poi, fietsen is LEVEN’ en dus hoop ik het nog heeeeel lang en vaak te kunnen doen.

    Nu wacht ik op de ferry naar Skye. Waar iedereen lyrisch over doet dus het zal wel mooi zijn. Ik had geen zin in toerisme, maar het toerisme is Schotland is leuk. Allemaal backpackers, hikers, vanlifers, natuurliefhebbers. ZIN IN!

    Toch maar weer ff m’n helmpie op op een 80-weg

    Xx!

  • Schotland’s beste boyband

    Schotland’s beste boyband

    Ten westen van me, waar de rode zon achter de heuvel verdween, hoor ik het ruisen van de zee. Ten oosten, waar de bergkam begint, de bosuil met zijn herkenbare roep. Noordelijk van me, op twee meter afstand, zet een bebaarde jongeman uit York zijn tentje op. Zuidelijk kletsen drie vriendelijke mannen van middelbare leeftijd die hun jaarlijke kampeertraditie van vóór covid weer hebben opgepakt op zachte toon met elkaar. Mijn handen voelen koud nu de heldere nacht haar intrede doet, en ik ruik de rook van de kampvuurtjes van andere gasten terwijl ik in mijn slaapzak lig. Een prachtige kampeeravond.

    Het fietsleven in Schotland contrasteert enorm met mijn tocht door Zuid-Europa zes jaar terug waar kou, alleen zijn, en monotone landschappen het grootste deel van mijn reis besloegen. Soms kan ik de overvloed aan fijne dingen op deze reis bijna niet verwerken. De zon schijnt al een week, ik kom elke dag leuke mensen tegen, er is altijd wel een fantastische kampeerplek, het uitzicht overtreft na elke bocht alle verwachtingen, en mijn fietstocht wordt altijd wel weer onderbroken door één of andere bijzonderheid. Zo kwam ik langs mijn tante waar ik een week bleef plakken, werkte ik tweeënhalve week op een smallholding aan zee, en ben ik nu na een week fietsen terechtgekomen in een Schots muziekfestival op het eiland Mull. Ik had geen idee.

    Mijn fietsenmaker, die volgens mij een beetje stoned was maar mijn fiets wel kneiterlekker heeft gefixt, wees me erop. Hij zou me appen als hij ook ging, wat me wel weer grappig leek want ik zeg altijd: ik hou van alleen zijn, behalve op feestjes. Nu is een 60-jarige stonede man niet per se mijn eerste keuze qua gezelschap, dus appte ik mijn nieuwe Franse vriendin van de smallholding of ze zin had in een weekendtripje. Zij werkt nog een paar weken op de boerderij, maar is in het weekend vrij en had wel zin in bier en muziek!

    Maar eerst had ik nog een paar dagen fietsen voor de boeg. Vanaf Oban, waar ik in het hostel zat terwijl mijn fiets gerepareerd werd, had ik meerdere opties qua route. De dagen ervoor zat ik continu te wikken en te wegen wat ik ging doen, maar ik wist ook: ik weet wel wat ik wil als ik uit Oban vertrek. En ik had zin in de ferry naar Mull toen ik wakker werd, meer dan de trip naar het beroemde Fort Willam waar ik al een keer geweest ben (maar waar ook de hoogste piek van de UK is die ik wilde beklimmen). Vanaf de ferry was het anderhalve dag fietsen naar het bekende eilandje Iona en ik had zin in een paar lekkere intense fietsdagen. Zestig kilometer die dag, berg op en af, met tegenwind en al, tot ik een wildkampeerplekje zou zien.

    Waar menig mens me al voor had gewaarschuwd waren de campervans op dit eiland, maar überhaupt in de Schotse Hooglanden. Vanwege de eenbaanswegen betekende dat continu de berm in, of een tegenliggende auto die soms al honderden meters van tevoren op een ‘passing place’ wachtte tot ik voorbij was. Erg lief, maar irritant als je berg op aan het zwoegen bent met een pottenkijker en tijdsdruk. De mensen zijn hier erg voorzichtig met fietsers passeren en er is kort geleden een nieuwe wet ingegaan: je moet twee meter afstand houden van de fietser! Superveilig, maar aan het eind van de dag was ik het helemaal zat met al die vans. Gelukkig had ik een paadje op de kaart gezien die naar een afgelegen strand leidde. Het was zeven uur toen ik daar aan kwam, maar het was de perfecte kampeerplek. Stilte, weidsheid, een prachtige zee en ’s ochtends mijn koffietje drinken in de volle zon.

    Iona was een minder groot succes. Het is een heel klein eilandje wat beroemd is vanwege de start van het Christendom wat daar plaatsvond (ofzo, is niet helemaal mijn interessegebied, ik kom er gewoon voor de vibe 😂). De man van de smallholding had me getipt daar te kamperen, omdat het eiland zo magisch zou zijn als alle toeristen weg waren. Vanaf mijn wildkampeerplek was het een klein stukje naar de boot, dus ik had de hele middag om het eiland te verkennen en een mooi veldje voor mijn tent te vinden. Ik fantaseerde al over een wild strand waar ik de hele middag in de zon mijn boek kon lezen en een lekkere lunch kon maken. Maar het pakte anders uit.

    Op de kaart zag ik behalve de twee korte hoofdwegen op het eiland allemaal wandelpaden waar ik mijn hoop op had gevestigd, maar die bleken onmogelijk bereikbaar met de fiets. Een local vertelde me bovendien dat ik me wel goed moest verstoppen omdat de mensen van de plaatselijke camping de wildkampeerders niet dulden (ondanks dat het legaal is). Dus toen ik een ander strand verkende dat helemaal open en bloot lag, besloot ik toch maar mijn fiets zo’n onbegaanbaar pad op te duwen. Dikke keien, stijl omhoog, het was ongeveer onmogelijk behalve voor Simone van Dijk. Halverwege besloot ik te voet verder te gaan ter verkenning, en het werd alleen nog maar rotsachtiger en daarmee onmogelijker. Ik was chagerijnig en moe. De hele dag al was ik in plaats van lekker van het eiland genieten bezig met een slaapplek vinden en die leek niet te slagen. Omdat ik de camping stom vond vanwege hun anti-wildkampeer-beleid (er hingen op plekken ook bordjes ván die camping met ‘verboden te wildkamperen’, echt triest) en hun camping ook lelijk (grasveld met saai uitzicht middenin de wind) besloot ik het eiland maar weer te verlaten. Er was een camping in de buurt van de boot op Mull en die besloot ik dan maar te pakken. Veel camperbusjes en wind, grote open leegte door gebrek aan bomen en overschot aan schapen: ik was klaar met de dag. Ik gooide al mijn spullen in m’n tentje en kookte m’n maaltje, niet van plan met iemand te praten. En dat was prima.

    Soms heb ik zin in zwerversdagen, en soms in sportieve dagen. Zwerversdagen bestaan uit rustig opstaan, bakkie doen, boekje lezen, zwemmen, stukkie fietsen, wildplukken, leuk plekje vinden, kampje bouwen, en daar dan nog wat rondhangen, koken, en wandelen. Op sportieve dagen daarentegen is het eerste wat ik doe mijn spullen inpakken, maak ik even snel een ontbijtje en is het doel van de dag kilometers maken. Op die dagen is een camping fijn, want dan ben ik aan het eind van de dag erg moe. De dag na Iona was zo’n sportieve dag. Ik wilde zeventig kilometer fietsen en dat is voor mij best veel in combinatie met wind, zware tassen, en pittige heuvels. Maar het geeft ook een heerlijk gevoel aan het eind van de dag jezelf nog tien kilometer te pushen door te gaan, omdat daar de camping ligt. Om half 8 kwam ik op een simpel terreintje met uitzicht op een prachtige berg.

    Onderweg kwam ik nog een vogelaar tegen die het nest van een zeearend in de gaten hield. Terwijl we stonden te kletsen kwam het mannetje terug naar het nest en konden we de twee beesten supergoed bekijken door zijn megalens. Als kers op de taart besloot het mannetje over ons heen te vliegen, echt een magisch moment! Hij zei dat hij soms wel drie uur stond te wachten op een dergelijk moment en dat ik veel geluk had (zo voelde dat ook!).

    De dag erna was bedoeld een sportieve dag te zijn, omdat mijn Franse vriendin misschien die avond al in het stadje van het festival zou zijn wat voor mij nog vijftig kilometer was. Maar de zon scheen en mijn uitzicht bij de tent was zo heerlijk dat ik er de hele ochtend lekker bleef hangen met mijn koffietje en boek. In Oban had ik bovendien een lap stof gekocht bij de kringloopwinkel om zakjes van te naaien. De biologische winkel daar had van die enorme papieren zakken met granen, havermout en meel waarmee je je eigen zakjes kon vullen, en dat wilde ik heel graag. Diezelfde avond zat ik in het hostel met die ‘enge’ Franse vrouw van 55 (die eigenlijk heel cool en lief was maar gewoon een beetje gek) met de hand zakjes te naaien terwijl onze andere kamergenoot – een 76-jarige vrouw uit Alaska die net de West Highland way had gelopen en elk jaar lekker een lange solotrip maakt omdat ze daar blij van wordt – geïntegreerd zat toe te kijken. Drie vrouwen alleen op reis, drie verschillende generaties. Het was heel bekrachtigend om de avonden met hun door te brengen en reisverhalen te delen (de Franse vrouw gaat zo’n twee keer per jaar naar Schotland omdat ze er zo verliefd op is, en niemand van haar vrienden snapt het of voelt er hetzelfde voor dus ze gaat lekker alleen).

    Terwijl ik dat laatste zakje naaide in de zon, voor mijn tent, tikte de tijd voorbij en stapte ik helemaal opgewarmd op de fiets. Maar mijn benen wilden niet. Moe van de vorige dag en slap door de zon was elke heuvel een crime en het was een ontzettend zware route. Gelukkig kreeg ik wel wat erkenning van automobilisten onderweg die hun raampje naar beneden draaiden en zich verwonderden over mijn prestatie (altijd lekker). Op een heuvel kwam ik ook nog een Duitse automobiliste tegen die ook lekker alleen aan het reizen was en we spraken over hoe fijn dat is hier in Schotland. Een broodbak met verse chocoladecroissantjes hielp me de volgende berg op, maar toen ik een klein campinkje aan zee zag vond ik het wel goed. Morgen de laatste twintig kilometer.

    Na een week regen stapte ik vrijdag vroeg op de fiets en ontmoette ik mijn Franse vriendin compleet doorweekt op de volgende camping. Maar alles werd goedgemaakt door broodjes en koffie van een goddelijke bakkerij, een prachtige wandeling naar de lokale vuurtoren, en biertjes op het terras in de zon. In het stadje Tobermory, vanaf waar ik ook weer de boot zal nemen naar het vasteland, zijn verspreid over verschillende hotels en bars Schotse bands te horen. In de ene kroeg speelde een vent op accordeon en met een rauwe stem de geniaalste melodieën, en in een poepchique hotel met waanzinnig uitzicht luisterden we onder het genot van cocktails naar Schotland’s beste boyband (vond ik persoonlijk). We aten vegan fish en chips op de pier in het licht van de ondergaande zon terwijl een trio van gitaar, viool en zang ons van achtergrondmuziek voorzag. Een heerlijke afsluiter van een mooie, zonnige week op het eiland Mull. Ijskoud lagen we daarna te bibberen in ons tentje en volgende week veel regen voorspeld. Stay tuned ❤️

    Xx

  • Groene bermen eten

    Groene bermen eten

    Oh, de dagen dat de zon schijnt. Dat ik mijn tent droog ik kan pakken en in de warme ochtendstralen mijn bakkie koffie drink. Dat mijn kilometers elke vijf minuten worden onderbroken door de verse blaadjes die ik overal in de bermen zie en wil plukken. Dat ik lange lunchpauzes houd, liggend in het gras terwijl ik mijn boek lees. Dat mijn gezicht aan het einde van de dag vol sproeten zit. Op die dagen wil ik niets anders van het leven dan buiten zijn en fietsen. Deze woorden klonken door mijn hoofd terwijl ik daslook plukte aan de kant van een rustig weggetje:

    Dit is de enige manier waarop ik kan leven
    Het blijft gewoon een feit

    Zwerver voor altijd

    Rollen en lopen

    Twee dagen nadat ik op de fiets stap vanaf de boerderij waar ik tweeënhalve week heb gezeten moet ik de tocht alweer staken. Hoewel het weer prachtig is, de landschappen waanzinnig mooi (ik probeerde hier nieuwe termen voor te bedenken: Buitenstondig mooi! Uitdravend mooi! Grootsmachtig mooi!) is mijn fiets niet opeens gerepareerd na twee weken stilstand, wat ik nogal raar vind. Geintje, ik heb er eens met de man van het busje naar gekeken die mechanicus is en de conclusie was: nieuwe trapas, nieuwe ketting, nieuw tandwiel voor. Ik kon het bestellen en hij erop zetten, maar toen ik genoeg motivatie had verzameld om m’n trappers eraf te schroeven bleek ik een speciaal gereedschap nodig te hebben. En toen had ik er al geen zin meer in en werd het ook te laat om nog te bestellen. Wat dom was, want het probleem werd erger bij vertrek dan het bij aankomst was. Mijn ketting vloog er al bij een beetje druk af, oftewel: elke lichte glooiing in het landschap moest ik de afgelopen 120 kilometer lopend op. Wat een pret.

    Een oefening in traagheid, noemde ik het. Zolang mijn fiets kan rollen is er geen écht probleem, want ik kom nog steeds vooruit. Maar echt fietsen heb ik niet gedaan: berg af rollen en berg op lopen (en bergen waren er!). ‘Je hebt geen haast, meissie’, sprak ik mezelf bemoedigend toe als ik wéér af moest stappen. En van de gelegenheid gebruikmakend plukte ik dan ook maar mijn avondmaaltje bij elkaar uit de bermen, die in twee weken tijd opeens barstten van het groen.

    Als de kat van huis is dansen de muizen op tafel

    Dit gezegde bestaat ook in het Frans en Engels, blijkt, maar dan zonder het tafelgedeelte. Die het juist een extra twist geeft vind ik: dansen is gezellig, maar op tafel is echt stóut. Met de Franse meid hadden we mijn laatste week op de boerderij het huis voor onszelf, omdat de hosts op reis gingen. De hele week ervoor hadden we al gekwijld op alle chocola die we in het weekend in de stad zouden kopen en ik had zelfs een paniekdroom dat ik thuiskwam van boodschappen doen en de chocola was vergeten. Ohja, dit had ik al in mijn vorige blog verteld bedenk ik me nu, maar is toch het tweemaal noemen waard want gevroten hebben we! Inmiddels waren we al zo comfortabel in elkaars gezelschap dat scheten laten ook gewoon een publieke aangelegenheid werd net als bankhangen en laat opstaan. Halverwege de week kwam het vegan stelletje terug met hun busje en trof twee pubers aan die gelukkig wel gewoon netjes de vaat hadden bijgehouden en zelfs ook braaf aan het werk waren gegaan.

    Nog meer rododendron kappen, hout zagen, pitrus uitgraven, en met de kano de zee op om zeewier te plukken. Hilariteit als het dan keihard ging regenen. ’s Avonds kookten de meesterkoks een vegan maaltijd waar je u tegen zegt, dronken we appelcider of Guinness en hadden de slappe lach over hypothetische situaties of tijdens het spelen van Dixit (lievelingsspel, extra leuk als je als omschrijving één van de spelers doet en kijkt wat iedereen neerlegt).

    Maar ik werd ook lamlendig van het huisleven. Nu de katten van huis waren vond ik het moeilijk mezelf te motiveren en op vrije dagen was ik na breien, lezen, brandnetelsoep maken en wandelen ook wel weer klaar met de dag. Fietsen moet ik, dacht ik bij mezelf. Gewoon als doel vooruitkomen en ondertussen buiten zijn en je druk maken om wat je gaat eten en waar je gaat slapen. Dus toen vrijdag de zon scheen was ik maar wát blij om met al m’n spulletjes weer op pad te zijn! Op naar de Highlands, voordat daar de midgetplaag zal beginnen (kleine mugjes die echt in wolken op je af komen, ondragelijk om midzomer in de Highlands door te brengen). In het Oosten schijnt het minder een probleem te zijn, dus ik heb twee maanden de tijd om daar te arriveren.

    Dat gaat op dit loop-rol-tempo niet erg vlot, dus prioriteit is nu mijn fiets laten maken. Een eenmanszaakje in Oban wilde me na het weekend wel helpen, dus daar heb ik nu twee nachtjes in een hostel geboekt. Ik hou niet erg van de auto’s en toeristen en massaconsumptie van steden, maar ’t is even zo. Eerst m’n fietsje, dan de rest.

    Buitenleven

    Met het zonnige weer van de afgelopen dagen is het buitenleven echt een droom die uitkomt. Ik zou zo dágen door kunnen brengen zonder ook maar een binnenplek nodig te hebben. Wildkamperen gaat hier goed, er zijn in natuurgebieden vaak parkeerplaatsjes waar vanuit je wandelingen kunt maken en dat is de perfecte kampeerplek. Er staan vaak picknickbanken, er is vlak gras, het is in een natuurgebied, maar het is ook gewoon zichtbaar zodat je niet stiekem hoeft te doen. Het enige is dat het soms wat dichtbij de weg is, maar echt drukke wegen zijn dat meestal niet.

    Het kamperen op die parkeerplaatsjes is ook echt een oefening in vertrouwen, en ook een kwestie van een risicootje durven nemen. De kans dat ik word verkracht terwijl ik in mijn tent lig is nihil en ik heb mezelf een beetje aangeleerd wat agressiever te denken in plaats van de hulpeloze houding aan te nemen. De eerste avond lag ik tevreden in mijn tentje te lezen met de voortent open – aan het wandelpad want dat kwam even goed uit met de helling en de wind – en liep er een man vlak langs in joggingpak met zijn kleine pitbull hondje. Vanuit mijn tent zei ik hem gewoon goedendag, beetje random voelde het wel. Hij maakte nog een rondje en ik zei weer hallo en toen maakten we gewoon een praatje terwijl de hond aan mijn gezicht kwam snuffelen. Prima kerel en leuk gesprek, maar wel een gekke situatie haha! Later dacht ik nog: ja maar wat als hij nu besluit terug te keren en me wel wat aan te doen? Maar het heeft geen nut om dat scenario uit te denken. Ik moet er gewoon op vertrouwen dat hij een prima mens is, veel anders kan ik niet.

    Lente!

    Och, ik wil zoveel delen. Hoe schattig de lammetjes zijn, ook al vreet het overschot aan schapen hele landschappen kaal. Hoe de bomen opeens in blad staan, gewone esdoorn (hier: sycamore) en beuk als eerst. Hoe ziek ziek ziek ziek mooi de bergen zijn die het achtergrond decor vormen met hun sneeuwtoppen. Hoeveel zin ik heb de Noordelijke kust van Schotland te bereiken. Hoe lief tegenliggers in auto’s of op fietsen altijd zwaaien. Hoe heerlijk stromende rivieren vol keien zijn. Maar vooral: hoe het wildplukseizoen is begonnen.

    Ik heb twee plukzakjes: één voor theekruiden, en één voor groentes. Eigenlijk zou ik een derde nodig hebben voor salade, zodat ik brandnetels (even bakken of koken) en paardenbloemblad (kan prima rauw) niet met blote handen uit elkaar hoef te halen. Aangevuld met zelfgebakte chapatis in mijn minipannetje, met een laagje humus erop waar bovenop de groentes gaan heb ik nauwelijks verse boodschappen nodig. Of gevijzeld tot pesto met behulp van een steen uit een rivier, op een oatcake plus een plakje kaas heb ik de beste lunch ooit. Als dat niet natuurverbinding is weet ik het ook niet meer.

    Op de boerderij lag een boek van Julie Bruton-Seal ‘Hedgerow medicine’. Over alle kruiden die je in de berm kunt vinden en hoe je ze medicinaal kunt gebruiken. Ik heb het hele boek van A tot Z uitgelezen en leerde weer zoveel dingen, of haalde kennis op die ik weer was vergeten. Haar andere boeken lijken me ook geniaal en ik twijfel om ze in pdf te downloaden voor op mijn telefoon. Met de jaren leer ik zo steeds meer plantjes en kan ik vooral in dit seizoen mijn verse groentes zo uit de natuur halen.

    In de thee: paardenbloem, kleefkruid, framboosblad, brandnetel, braamblad, watermunt

    In de salade: paardenbloemblad, zeesla (wier), veldzuring, paardenbloem, gaspeldoornbloem, meidoornblad, waterkers (aangevuld met komkommer en pompoenpitjes)

    In de groentenmix of als pesto: paardenbloemblad, veldzuring, brandnetel, kleefkruid, zevenblad, daslook

    In de soep: brandnetel, veldzuring, daslook (aangevuld met aardappel, zout, tijm, scheutje havermelk)

    Je ne snurk pas

    Nu deel ik de naar zweet ruikende hostelkamer met twee wat oudere dames. Het hostel heeft een kleurrijke inrichting en behalve wij drie zitten er wat jongeren die hun onzekerheid compenseren met harde muziek en hipstermode, en een oudere man die de hele avond vanuit dezelfde stoel de anderen bekijkt, zoals oudere mannen ook wel kunnen doen in een bar met een biertje in hun hand. Ik heb wel respect voor zijn mindfulness (heb hem geen één keer op een telefoon ofzo zien kijken). Voor de Franse vrouw uit mijn kamer ben ik een beetje bang. Ze doet zo gemaakt opgewekt en maakt grappen die ik niet snap. Ze vroeg of wij snurkten en zei er toen heel lacherig achteraan dat zij dat ook niet deed, maar natuurlijk deed ze dat wel. De Amerikaanse vrouw van in de zeventig die net de West Highland Way in de regen heeft gelopen (!) en 14 kleinkinderen heeft (!) lag al vroeg op bed en ik sloot me daarbij aan en we kletsten wat. Toen de Franse binnenkwam leek het alsof we een soort onuitgesproken pact hadden: niet praten want dan zul je het krijgen.

    Het spijt me dat ik nu niet lekker in mijn tentje zit met dit weer! Het voordeel is wel dat ik hier een uitgebreide keuken heb met blender en pannen, dus gister maakte ik een heerlijke brandnetelsoep en vandaag wil ik paardenbloemenjam of -siroop gaan maken. Maar eerst de fiets.

    Kus! 😘

  • De zee plukt ze voor je

    De zee plukt ze voor je

    Via het platform Wwoof kun je in ruil voor kost en inwoning een tijdje op biologische boerderijen werken. Tweeënhalve week verblijf ik op een smallholding: een niet-winstgevende boerderij waar de eigenaren een groot bosgebied onderhouden (uit liefde voor de natuur) en hun eigen groenten verbouwen. De eerste week waren er nog twee stelletjes: het vogelaarstel sliep in een houten hut aan zee en het vegan stel in hun busje. Na vijf nachten kwam er ook nog een Franse vrouw bij, waarmee ik de laatste zeven dagen alleen in het huis doorbreng omdat de eigenaren op vakantie zijn en de andere stelletjes ook zijn vertrokken.

    Slapen

    De eerste vijf nachten sliep ik bij de hosts in huis. Een heerlijk bedje en prachtige kamer, maar ook continu in hun space. Het zijn fantastische en relaxte mensen, maar toch ken ik ze nog nauwelijks en ben ik daarom continu bezig met hoe me te gedragen. Op de vijfde dag kwam ook een Franse vrouw van 24 waarmee ik de kamer deelde. Onwijs gezellig, lekker vanuit bed kletsen over Outlander en het leven, maar na twee nachten dacht ik ook: het zou lekker zijn om ’s ochtends en ’s avonds even tot mezelf te kunnen komen. Dus pakte ik mijn tentje en zette die op in het bos!

    De hosts hebben een bosgebied aan de kust van 40 hectare gekocht om te beschermen, met ook een stuk grasland aan zee waar ze een grote moestuin hebben. Omdat voor dat land een bouwvergunning moeilijk te krijgen zou zijn kochten ze een plekje in de buurt waar ze een mooi duurzaam huis op bouwden (passive house, noemen ze het, houdt zichzelf goed warm). Naar het stukje land fietsen vanaf hun huis is een kwartiertje en vanaf daar moet je steil omhoog klimmen, dwars door bosjes en over rotsblokken en door modderbeekjes, om in hun bosgebied te komen. Het is omheind met een stevig hek vanwege de hoge hertenpopulatie die alles anders kaalvreet, maar er zitten kleine kattenluikjes in om de dassen door te laten. Midden tussen de lage, met korstmos begroeide berken (teken van schone lucht), zette ik mijn tentje op. Echt een kampje ging ik er niet bouwen, alles een kwartier naar boven sjouwen zag ik echt niet zitten! Maar als slaapplek was het heerlijk, eten en leven zou ik gewoon bij de rest doen.

    ’s Nachts hoorde ik de bosuilen bij m’n tent en binnen werd ik vergezeld door spinnen, teekjes, en muggen. Lekker slapen op de aarde op mijn matje die ik inmiddels gerepareerd had was heerlijk. Maar ik sliep ook laat in, omdat ik na een drukke dag steeds pas laat bij de tent aankwam. En de ochtenden ging ik meteen naar beneden om daar naar de wc te kunnen en mijn ontbijtje te kunnen eten. Het slapen in de tent in combinatie met een volle dag was best intens, dus na een kleine week vond ik het wel weer goed. De hosts gingen een week op vakantie dus in het huis zou ook meer bewegingsvrijheid zijn, en ik pakte mijn spullen weer in en dook in het heerlijke bedje.

    Het werk

    Elke dag ziet er weer anders uit. Soms vertrekken we pas om tien uur naar de moestuin om daar planten te verplaatsen van de plek waar ze ongewenst zijn naar de plek waar ze bruikbaar zijn. Zuring bijvoorbeeld, schijnt goed te zijn voor de fertiliteit van de grond. Ik haalde ze weg uit een aardappelveld om ze in een nieuw stuk grond te kunnen planten, ter voorbereiding van wat daar over een tijd gezaaid wordt. Soms doen we keihard fysiek werk zoals pitrus verwijderen uit een bodem vol met dikke keien, of de invasieve rododendrons met wortel en al uitzagen. Ook de overal in Schotland aanwezige droge bracken (van de adelaarsvarenfamilie) wordt op veel plekken met kruiwagens afgevoerd en hergebruikt als mulch (bodembedekker rondom gewassen zodat er geen andere plantjes kunnen groeien), in het composttoilet, of als brandstof voor de kelly kettle waar we ons middagtheetje mee zetten. Op een regendag blijven we binnen en bakken brood, schilderen naambordjes voor de fruitbomen, verwerken de zeewieren, koken de avondmaaltijd, of doen kleine klusjes in de andere moestuin die bij het huis is gelegen. Sommige dagen werken we keihard, en andere dagen kijken we als Wwoofers elkaar aan van: verdienen we dat verse brood en warme bedje vandaag wel?

    De hosts lijken zich daar niet echt druk om te maken. Ze zijn niet echt bezig met een goede opbrengst, maar vooral met het samenleven en zorgen voor de natuur. Elk boompje wordt gespaard, ontspruitende ratelpopulieren worden uit de grond van de buren geschept om te herplanten omdat ze anders slachtoffer van de vele schapen worden. De ene hulst tussen de rododendrons wordt voorzichtig gespaard en omringd met bladeren en takken zodat er geen concurrent kan groeien. Een miniberkje tussen de pitrus wordt uitgegraven en verderop geplaatst. Van een omgevallen wilg worden takken afgezaagd en ik was een hele ochtend bezig die takken in hun tuin te herplanten. Op een kwartier rijden en vervolgens een half uur lopen groeit ergens in de natuur de invasieve ‘skunk cabbage’ die we met z’n allen hebben staan omhakken. Liefde voor de natuur en zorg voor het land – niet alleen hun eigen – is hier de drijfveer. In twee dichtbijgelegen stadjes zetten ze zich ook nog in voor de community garden, alsof ze nog niet genoeg tuinierden. Ze zijn allebei in de zeventig, gok ik, en staan nog middenin het leven. Prachtig.

    Community

    Ik was vooraf aan deze reis een beetje bang om te gaan Wwoofen. Ik ben een heel sociaal mens, maar ik ben ergens ook bang voor groepen mensen. Ik heb vooroordelen over hippies of mensen in het biologische/zelfvoorzienende wereldje. Maar ik ben zo blij dat ik het gedaan heb. Het is heerlijk om onder de mensen zijn, en niet zomaar mensen, maar gelijkgestemden! De hele dag kan ik de hostess platbombarderen met vragen over plantjes en de host over vogels. Tijdens het werken in de moestuin loeren we door de verrekijker naar de zeearenden (!) verderop of proeven we het verschil tussen schapenzuring en veldzuring. Iedereen geniet van de wildpluksalade die ik voor de lunch heb gemaakt en van elk persoon leer ik weer wat anders. Het vogelaarstel hangt elke nacht twee wildcamera’s op waarvan we de beelden ’s ochtends met smart bekijken. Het campervan stelletje weet alles over veganistisch koken en maakt tempeh en kombucha, maar de man van het stel heeft me ook precies laten zien hoe ik de derailleur van mijn fiets afstel en we kletsen urenlang over welke tent handig is op een fietstocht (mijn lievelingsgesprekken). En de Franse meid is fantastisch. We zijn op zaterdag 15 km heen en 15 terug naar het dichtstbijzijnde stadje gefietst en hebben niet normaal veel chocola gekocht omdat we daar de hele week al zin in hadden. In stilte lezen we allebei een boek ’s avonds, maar tijdens het eten kletsen we honderduit over de natuur, feminisme, het boerenleven, mannen, of wat dan ook. Ze leert mij wat Frans bij en ik haar wat Engels en we lachen om het feit dat we idealen hebben van een zelfvoorzienend leven en een wereld zonder plastic afval en met veel natuur, maar tegelijkertijd zoveel chocoladebiscuitjes eten dat we ’s avonds kotsmisselijk in bed liggen. Ik hou van mensen die zichzelf niet al te serieus nemen, haha.

    Iedereen hier is een fijn mens. Geïnteresseerd, authentiek en inspirerend. De sfeer aan tafel is heel veilig, niemand overheerst, iedereen is respectvol naar elkaar. De host is een geweldig positieve man waarvan de tranen soms over mijn wangen lopen van het lachen om hem. Bij het kleinste kevertje roept hij het al uit van enthousiasme: ‘marvellous!’ ‘just brilliant!’ ‘amazing!’, maar dat doet hij ook als je het kleinste, meest niet-boeiende klusje hebt gedaan. Ik geniet volop, én ik heb straks ook weer heel veel zin te gaan fietsen en mijn eigen dagen weer in te richten!

    Ik moest wel even wennen aan onder de mensen zijn, de eerste week was dan ook echt intensief. Het is een continu aftasten: hoe veilig ben ik hier? Hoeveel ruimte kan/mag ik innemen? Wat wordt er van me verwacht? Ik kan het soms ook moeilijk vinden als mensen heel leuk zijn, alsof hun leukheid de mijne bedreigt (iets waar ik aan werk, haha). Maar juist door het aan te gaan kan ik er ook weer wat mee, kan ik mezelf ontwikkelen op sociaal vlak. En daar ben ik heel blij mee.

    Zeewier rapen

    We zitten hier aan de kust van een zogenaamd ‘loch’. Een soort binnenzee van de Ierse Zee. Het water is schoon en rustig, een ideale plek voor wieren. Met hoge regenlaarzen waden we door het water, waar in de ondiepe lagen vooral de zogenaamde ‘wrecks’ groeien: de wieren met blaasjes. Niet giftig, maar ook niet echt lekker eetbaar zoals ik begreep. In diepere lagen groeit zeesla, en ziet er inderdaad uit als sla. Na een heftige storm in het weekend was veel zeesla uit diepere lagen weggerukt en in de ondiepere lagen tussen de wrecks blijven dobberen. Ik kon een absurde hoeveelheid rapen. ‘Zeewier hoef je niet te plukken, dat doet de zee voor je’ las ik eerder al in een boek. Ook het suikerwier dat op diepere lagen groeit lag her en der te dobberen. De grote langwerpige gekrulde bladeren viste ik op uit de zee. Twee zou genoeg zijn om de voorraad weer bij te vullen. Na het te drogen op een wasrek kun je deze in kleine reepjes scheuren en er bouillon van trekken. Je kunt er ook wat van bijdoen als je gedroogde bonen weekt of kookt, dat versnelt het proces. Of gewoon lekker als extra groente door een curry. Na een tijdje meekoken worden ze wat zachter. De zeesla droog je nog even in de oven op 95 graden en is dan een heerlijk zoute snack of garnering. Ik ga hopelijk nog heel veel wier rapen op mijn tocht, en niet in de handige regenlaarzen die ik niet mee heb, maar dan gewoon op blote voeten 😄

    Zelf bakken

    Een paar keer per week bakken we granola, dagelijks bakken we brood, we maken zelf humus, tempeh en kombucha. Er wordt cake en taart gebakken dus aan toetjes geen tekort. Het enige dat misschien ontbreekt zijn verse eitjes en elke dag een geit melken 😄 Het is heerlijk om vanuit zoveel droge voorraden je dagelijkse benodigdheden te kunnen maken, aangevuld met wildpluk, groenten uit de tuin, en groenten uit de supermarkt. Voor het brood hebben ze een zogenaamd moederdeeg, waar ze dan twee soorten meel bij gooien (hoeveelheid op gevoel), wat olijfolie, zonnebloem- en pompoenpitten, water, en een lepeltje suiker. Dat wordt gekneed (met een kneedmachine, dat is voor dagelijks maken wel fijn) en voor 24 uur weggezet om te rijzen, vervolgens opnieuw gekneed en weer 12 uur weggezet. Daarna wordt het weer in een ingevet cakeblik gegoten en wordt er een grote schep achtergehouden: daarvan wordt weer het volgende brood gemaakt! In de oven voor 20/30 minuten en een heerlijk vers brood staat op tafel.

    Ik begon me af te vragen of ik dit ‘zelf maken’ ook wat meer op de fiets toe zou kunnen passen. Het zou betekenen dat ik meer grootvoorraden kan kopen en minder vaak boodschappen hoeft te doen. Ik zou minder plastic verbruiken en veel minder toegevoegde meuk binnenkrijgen (die ik dan weer ruim zou aanvullen met chocola, haha). Het is iets wat ik sowieso graag deze reis wilde ontdekken: hoe kan het leven op de fiets nog zelfvoorzienender en dichterbij de natuur? Ik heb natuurlijk veel lichtgewicht spul en vanwege het rondreizen kies ik vaak voor gemak in plaats van voor duurzaam in alle opzichten. Met de man van het vegan stel bedacht ik dat ik prima kleine wraps, of eigenlijk chapatis zou kunnen bakken op de fiets. Die avond maakte hij een curry zodat we de chapatis erbij uit konden proberen. Met mijn kleine campingpannetje ging het best goed! Gewoon meel en water kneden, uitrollen en droog bakken. Een kind kan de was doen. Maar een grotere pan zou wel handiger zijn als ik dit echt als broodvoorziening in wil gaan zetten, en een kom om deeg in te kneden ook. Thuis heb ik nog een handmatige koffiebonenmaler en ook een blender die op de hand werkt. Zoiets zou ook tof zijn als ik gedroogde bonen mee wil nemen en daar humus van wil maken, of wat uitgebreider wil gaan koken. Het voordeel van dit seizoen is dat ik steeds meer wild kan plukken, dat is al een leuke ‘zelfvoorziening’! To be continued 😄

    Schone lei

    Dit leven met gelijkgestemden en dichtbij de natuur doet me goed. Ik voel steeds meer hoe ik wil leven: vrij, in het moment, buiten, in de natuur, in verbinding met mensen. Dat laatste aspect wil ik naast het alleen fietsen de komende maanden ook echt vaker gaan opzoeken. De drempel voelt een stuk lager, ik voel me zelfs echt gemotiveerd om groepen mensen op te zoeken. Ik kan vaker gaan Wwoofen, of me aansluiten bij klimaatbewegingen waar veel natuurliefhebbers zich lijken te verenigen. Ik ben zo benieuwd waar dat me gaat brengen en voel me super hoopvol voor de toekomst!

    Ik zat een video van Julia Butterfly Hill te kijken, een vrouw die in de jaren negentig twee jaar (!) in een tent in een hoge boom woonde om te voorkomen dat deze werd omgehakt. Haar visie op het leven en die ervaring vond ik heel mooi, met daarin ook een stuk benoemend over hoe je sommige dingen los moet laten om dichterbij jezelf te komen. Zij noemde het onthechting, ik weet niet of dat het goede woord is want hechting vind ik ook iets moois. Maar ik besefte me wel dat er dingen zijn die ik los wil en moet laten om het leven te kunnen leiden waar ik me enorm toe getrokken voel. Ik zie mezelf voor me als een dansende, levensenergieke vrouw, springend over stenen in rotsige beekjes, in bomen klimmend, door de modder stampend. Vrij en kinderlijk en blij. En iets wat ik daarvoor los moet en wil laten is het verlangen naar waardering en bevestiging van anderen. Niet per se naasten, maar vooral de Nederlandse maatschappij. Een abstracte term waarmee ik bedoel dat ik de heersende opvattingen over wat een goed leven is (succes, uniek zijn, gelukkig zijn, etc) los wil laten, en vooral het verlangen dat anderen daarin naar mij op kijken of vinden dat ik het goed doe.

    Ik deelde tot nu toe dagelijks foto’s van mijn reis op Instagram en had dat ook nodig om die eerste stappen te kunnen zetten. Ik kreeg veel support en waardering, wat een heerlijk gevoel is dat! Het idee niet zichtbaar te zijn jaagt me bijna angst aan: waarvoor doe ik het (ontberingen, deze reis) als er niemand is om me te bevestigen of te waarderen? Vet scheve redenering natuurlijk, want ik zou het voor mezelf moeten doen. En daarom heb ik besloten Instagram te verwijderen. Ik voel nu heel intrinsiek dat ik er vanaf wil, nu ik omgeven ben door échte mensen en echt contact. Ik vind het eng, maar ik denk dat het een stap is die belangrijk voor me is. En zo heb ik ook mijn dreads afgeknipt, voelde ook niet meer passend bij mij. En oh, wat voelt het heerlijk zonder!

    Twee maanden geleden voelde ik me nog echt prut. Ik zat stil, in een huis, een online baan, middenin het verstedelijkte Nederland. Niet dat ik jou als lezer aan wil praten dat het niet goed genoeg is, maar mij deed het echt kwaad. Ik wil beweging, ik wil leven om me heen (natuur) en ik wil mensen om me heen die daar ook blij van worden.

    Nou goed, dat dus. Het gaat dus goed hier 😂

    Bedankt als je tot hier bent gekomen, schrijven vind ik enorm fijn (en voelt minder als Instagram als een delen om waardering, maar meer als een vorm van expressie).

    Veel liefs!
    X

  • A trombone and a mostrap

    A trombone and a mostrap

    Bergen zijn zo waanzinnig, overweldigend mooi, dat ik me er soms even van terug moet trekken om het te verwerken.

    Dat ging er door me heen toen ik eergister met de ferry het eiland Arran achter me liet. Besneeuwde toppen zwaaiden me uit, maar ik zwaaide niet terug maar keerde me om naar het vasteland. Daar waar de heuvels laag waren en het landschap rustig. De afgelopen vijf nachten op het eiland had ik de schoonheid van de bergen ten volste in me opgenomen en nu was het tijd voor rust.

    Gaspeldoorn

    Na een anderhalve dag fietsen vanaf mijn oom en tante in een klein pittoresk dorpje in het Zuiden van Schotland, pakte ik doodmoe de ferry naar het eiland. Ik had die nacht in een duinpan gekampeerd in een vrij bevolkt gebied, en hoewel ik me er veilig voelde en het een mooie plek was deed ik geen oog dicht. Een soort alertheid bleef ik behouden, waardoor ik niet écht weg kon zakken. Misschien door de wind, of toch door het idee zo zichtbaar te zijn. Ach, een keer een nachtje skippen is geen grote ramp. De boot was twintig kilometer verderop en vanaf de ferry had ik al een leuk kampeerterreintje gezien op twintig minuutjes fietsen. Dus lekker rustig aan vandaag. Dat terrein zou wel primitief zijn met alleen een toilet en dus geen elektra of douche, dus op de boot deed ik nog een wanhopige poging mijn telefoon op te laden zodat ik niet in een café hoefde te zitten. Op dat moment wilde ik namelijk vooral zo snel mogelijk in mijn tent liggen.

    De overtocht duurde een uur en we voeren op een bergachtig eiland af. Ik vond het allemaal niet zo boeiend en ging daarmee twijfelen aan mezelf. Ik kan namelijk ook enorm onder de indruk zijn van natuur en het uitschreeuwen van genot, dus als ik iets opeens niet zo boeiend vind word ik altijd een beetje bang. Me vlak voelen, daar kan ik niet zo goed tegen. Maar de afgelopen jaren in de natuur heb ik dit vaker gehad en weet ik daardoor dat je niet altijd actief hoeft te genieten van de schoonheid of uniekheid van je omgeving. Ik hoef niet altijd actief te waarderen dat ik buiten ben, of me altijd dankbaar te voelen als ik op mooie plekken kom. Ik weet dat de natuur een goede invloed op mij heeft, gewoon op mijn algehele staat van zijn. Soms voel ik heel actief bewondering, en soms voel ik me gewoon goed. En soms voel ik me belabberd, ondánks de plek waar ik ben. Ook prima.

    Het eiland was gehuld in wolken terwijl de kust waar ik vandaan kwam zonnig was. Je kon gewoon zien dat de wolken een poging deden weg te drijven, maar tegen de bergen op botsten. Ik en mijn fiets werden dan ook met een flinke regenbui ontvangen, maar het kon me niet schelen geloof ik. Ik wipte nog even naar binnen bij de toeristeninformatie voor een wandelkaartje en bij de Coop voor Kitkat, wraps en melk om warm in de koffie te kunnen doen. In de stromende regen trapte ik staand tegen de helling op tot ik om de bocht een prachtig grasdal zag liggen met een stromende beek erdoorheen. Dit was dus de camping! Twee kleine tentjes ver uit elkaar verwijderd bevestigden mijn vermoeden. Terwijl ik ging verkennen wat de beste plek zou zijn dreven de wolken verder en onthulden daarmee een besneeuwde bergtop in het verre landschap. Wauw wauw wauw, en of ik nu extase voelde! Die regen kon me geen zak meer boeien, dit was de mooiste kampeerplek OOIT! (Denk ik altijd bij een mooi plekje).

    Naast de geel bloeiende gaspeldoorn zette ik mijn tent met z’n kontje in de wind en de opening naar de bergtoppen. Terwijl de regen afnam installeerde ik me binnen met mijn chocola en decafé bakkie, de voortent open en mijn warme slaapzak over me heen gedrapeerd. Kijkend naar bergen, het geluid van de stromende rivier, warmte en lekker eten. Puur geluk, puur genot. Meer hoeft het leven van mij niet te bieden. Dit is alles, en dan te bedenken dat op dat moment (woensdag) er mensen in Amsterdam Zuid op kantoor zitten. Zij liever dan ik!

    Ik wist nog niet precies hoeveel dagen ik hier ging blijven, maar er leken wel wat toffe hikes in de omgeving te zijn. De hoogste top was vlakbij, 870 meter ofzo maar dat was volgens het boekje een A+ wandeling waarvoor je fully equipped met kompas en kaart enzo moest zijn. Ik wilde mezelf niet overschatten dus ging maar voor de B wandeling, waarvoor je ‘wel echt fit moet zijn en een goede uitrusting nodig hebt’. Na de volgende dag uitgebreid gebruncht te hebben bij het startpunt (want ja ik moest toch een keer dingen opladen en het was toch prutweer) begon ik aan de uitdaging die al een stuk toegankelijker was geworden door de heldere lucht die verscheen. Ik kwam door een prachtig maanlandschap met weer die bergen op de achtergrond en heb een uur bij een waterval gezeten genietend van de grootsheid van de dingen en de nietigheid van mezelf. Maar eerlijk gezegd: een wandeling in het Amsterdamse bos zou zwaarder zijn geweest.

    Ik was dan ook aan het begin van de middag alweer terug bij de tent en hoewel het heerlijk vertoeven was begon ik me toch een beetje te vervelen. Alles was al gefixt: eten, een slaapplek. Ik had al bewogen en de omgeving verkend en ook al in een café gezeten. Uit verveling had ik eigenlijk ook weer geen zin om actie te ondernemen en bleef ik in een cirkel hangen. Een stukje moeite met overgave aan het niets doen denk ik. Op zulke momenten kan ik me best alleen voelen en een beetje in een negatieve spiraal raken. Dan ga ik piekeren over of ik wel de juiste keuze heb gemaakt door alleen te gaan reizen, hoe ik dit allemaal vol ga houden in de toekomst, of er ooit iemand zal zijn waarmee ik dit samen zou kunnen doen, of ik dat überhaupt wel zou trekken omdat ik juist zo graag mijn eigen flow volg en me dan weer aan moet passen, dat ik dus moet kappen met zeiken omdat ik echt een droomleven leid, et cetera. Meestal is de oplossing breien, gewoon net zo lang breien tot het tijd is om te eten en daarna weer breien tot het tijd is om te slapen. Een beetje gezelligheid was welkom geweest: moest ik dan naar de andere tenten gaan en een gesprekje aanknopen? Nee dat voelde te geforceerd. Wat ik vooral nodig had was vertrouwen. Vertrouwen op de toekomst en gewoon even accepteren dat het vooral verveling was dat ik voelde en geen signaal dat ik alles verkeerd aanpak.

    De geit is gevallen

    Het universum zond mij de volgende dag een leuke compensatie. Terwijl ik me gewaagd had aan die A+ wandeling (lekker lange dagbesteding leek me, en een flinke uitdaging) haalde ik een man in die even pauzeerde op een rotsblok. We waren al aardig de hoogtemeters in geklommen en niet de enigen op het pad. Hoewel het niet echt druk was, zag je toch voor je en achter je wel andere klimmers, wat eigenlijk wel een fijn gevoel gaf. Al helemaal toen het pad overging in sneeuw en rotsblokken en vervolgens nog diepere sneeuw waar ik eens tot mijn kruis aan toe in zakte! Ik kon mezelf er goed uit hijsen, maar het idee was fijn dat er altijd hulp dichtbij was.

    We knikten elkaar kort toe, hij in zijn t-shirt en ik in mijn hemdje want van klimmen in de zon krijg je het warm. Ja, de zon scheen precies op de dag dat ik een top ging beklimmen, wat een geluk toch weer! Anders had ik het ook wel gedaan en ook leuk gevonden, maar dit was leuker! Terwijl ik hem voorbij liep realiseerde ik me dat die man me nogal bekend voorkwam en voordat ik er erg in had sprak ik het naar hem uit: ‘Hey, weren’t we in the same plane together?’. Vorige week vloog ik op en neer naar Nederland voor de begrafenis van mijn oma en op de weg terug naar Glasgow zat er een beetje een gothic achtige dude in het vliegtuig die me opviel vanwege zijn vette legerboots. Hij herinnerde het zich ook en we vonden het nogal bizar dat we elkaar hier, opweg naar de top van de berg Goatfell, tegenkwamen. What are the odds? We zouden elkaar wel weer zien op de top zeiden we, en terwijl ik daar een hele tijd later zat uit te puffen van de intensiteit van het ploeteren door sneeuw en over rotsen en het tegelijkertijd proberen niet uit te glijden en 870 meter naar beneden te donderen, zag ik geen gothic. Saai, maar oké. Met trillende benen waagde ik me aan de afdaling en doodmoe stond ik anderhalf uur later bij mijn fiets aan de voet van de berg. Daar zat meneer een biertje te zuipen. Hij was vlak voor de top teruggegaan omdat het hem iets te gevaarlijk werd (kun je nagaan hoe baddass – of dom – ik ben :p). Nou, verder is dit verhaal niet heel spannend, behalve dat ik even met hem heb staan ouwehoeren wat gewoon gezellig was, haha. Hij woonde in Amsterdam , was Engels, en zijn ouders woonden op dit eiland. Hij miste de bergen en de sneeuw intens (duhh, waarom ga je ook in Amsterdam wonen gék) en was daarom voor het Paasweekend teruggekeerd. Lachen!

    Gezeik en geluk

    Na drie dagen op het kampeerterreintje te hebben vertoefd had ik zin in actie! Lekker fietsen en nieuwe plekken ontdekken. Het was een pittige tocht langs de kust van het eiland met veel heuvel en veel auto’s die langsraasden. Maar het was wárm! De zon scheen, ik fietste in mijn t-shirtje, en steeds kwam de weg weer uit bij de stralend blauwe zee. Wauw! Ik fietste rustig aan zoals ik altijd doe en stapte bij elk mooi plekje af. Steeds achter me of voor me zag ik de besneeuwde toppen en ik was diep onder de indruk. Aan het eind van de dag was ik echter doodmoe en hongerig. De heuvels waren er veel en ik kon weer mijn eerste versnelling niet gebruiken – dan vloog de ketting eraf. Ik had ook niet echt de tijd genomen voor lunch en was dus ontzettend hangry. De camping waar ik op had geaasd viel in deze bui dan ook erg tegen, maar de eigenaresse was precies hoe je je een Schotse vrouw zou inbeelden: klein, lang rood haar, een heftig accent, en gewoon megalief. Ze gaf me het mooiste plekje en ik douchte uitgebreider dan ik ooit had gedaan. Ze zei me dat ik zeker in het dorpje verderop een biertje moest gaan drinken bij zonsondergang, dus na snel wat wraps naar binnen gepropt te hebben en me weer helemaal blij te voelen racete ik de heuvel af en genoot van een groot glas appelcider en een inderdaad waanzinnige avondlucht.

    En toen begon het gezeik. Misschien was ik brak de volgende ochtend en daarom chagerijnig, of misschien was het om mijn buren die vanwege een lege accu besloten om 8:00 de motor van de auto een half uur te laten ronken. Op nog geen vijf meter van mijn hoofd. Ik word liever wakker van vogelgezang, eerlijk gezegd. De zon scheen, maar ik vond het vooral irritant en intens. De chocolaatjes die de eigenaren uitdeelde vanwege Eerste Paasdag verbeterden mijn humeur ook niet en ik had totaal geen zin in inpakken of fietsen, maar ik had al helemaal geen zin hier te blijven. Aangezien de zon scheen waagde ik het  aan mijn fiets te gaan sleutelen die opeens ook een lekke band bleek te hebben. Twee uur later waren mijn versnellingen alleen maar slechter afgesteld maar besloot ik toch maar te gaan fietsen. Fietsen of überhaupt beweging is vaak de oplossing voor zo’n bui, maar in de eerste vijf kilometer al vier keer je ketting eraf niet, kan ik je vertellen.

    De fietsenmakers van het eiland was ik blijkbaar de vorige dag al gepasseerd, dus mijn oplossing was gewoon de laagste versnellingen niet meer gebruiken en dan maar veel lopen. Ik heb toch geen haast. Maar de drama was weer allemaal voor niks. Het grootste deel van de route bleek vandaag plat en wederom voelde ik me de grootste geluksvogel op aarde. Toen ik vervolgens een zeehond op een rots in de zee zag liggen barstte ik in huilen uit van ontlading, geluk en genot. Wat een grootsheid dit leven, wat een avontuur, wat een wonderschone natuur! Mijn tentje zette ik die avond op bij een bankje langs de weg met uitzicht op zee en ik sliep heerlijk. Alles kwam gewoon weer goed en fuck die versnellingen. Komt wel joh. Lopen is altijd een optie.

    Heksje in het bos

    En zo nam ik afscheid van het eiland, totaal overweldigd van alle ervaringen. Ik was voornemens nog meer wandelingen te maken, maar het was genoeg zo. Misschien kom ik ooit nog wel terug. Wat me nu nog restte was een tocht over het vasteland naar een Wwoof-plek waar ik twee weken zou werken in ruil voor kost en inwoning. Ik had pas de volgende dag daar afgesproken, dus in een bos vlak ervoor duwde ik mijn fiets door de modder en over rotsige paadjes op zoek naar de perfecte kampeerplek. Bos was lang geleden! Omdat het nog middag was had ik alle tijd om kritisch te zijn naar een plek en ik besefte me dat dat voor mij een waardevol onderdeel van dit fietsleven is. Het doel is niet fietsen, het doel is buitenleven. Het fietsen is een middel daartoe, net als het kamperen. Ik vind het dus heerlijk als ik op een dag lekker de tijd heb om te genieten van de ochtend, van de omgeving onderweg, en goed de tijd neem voor een leuke kampeerplek als dat even mogelijk is. Daardoor fiets ik vaak maar 30/40 kilometer per dag, maar dat is helemaal prima want ik hoef nergens heen, heb geen einddoel. Ik wil gewoon genieten van de dag (en soms kan dat juist ff doorbeuken zijn, maar daarvoor is het wel relaxt als je fiets het een beetje goed doet haha).

    Vlak voor ik op een magische open plek in het bos kwam (een neolitisch graf) stond ik oog in oog met een grote rode vos. Daardoor werd ik me nog bewuster van het onzichtbare leven in het bos, de dieren die zich voortbewegen in de schaduw van de sparren. De open plek was bezaaid met mos en oude stenen en met lichte voettreden begaf ik me naar het midden. Het voelde gewoon heilig, zo stil en prachtig was het. Ik zette mijn fiets neer en ging te voet verder verkennen waardoor ik me een half uur later op een uitzichtpunt begaf met een oude ruïne. Geen mens te zien, alleen vogels en krakende lariksen. Ergens vond ik het ook een spannende plek, maar kon ik me er ook volledig in mengen. Het voelde alsof ik heel goed één kon worden met deze prachtige duisternis hier en alles wat potentieel angstig kan zijn kon zien als een fijne vriend. Dieren, geluiden, oude graven. In het bos ben ik een heks. Mijn tent kreeg een waardig plekje aan de rand van de open plek en de rest van de middag breide ik aan mijn eerste sok terwijl het licht miezerde. Ik sliep laat in, op mijn matje die trouwens ook al een week lek is maar gelukkig nog een beetje isoleert.

    Een tijdje hier

    En daar zit ik dan, op de schommelstoel in een kamer voor mezelf. Over een paar dagen deel ik die met een Franse vrouw – misschien ga ik dan wel over naar mijn tent maar misschien ook niet. Ik zit in een ‘passive house’ dat zichzelf goed warm houdt, bij Ed en Carina, die 40 ha land bezitten met veel eikenbos en twee grote moestuinen. Aan de kust staat ook nog een klein hutje waar een stelletje in slaapt dat hier ook werkt, en vlakbij het huis staat een camperbusje met weer een ander stel erin. ’s Avonds aan tafel is het een drukke, gezellige boel en overdag doet iedereen diens klusjes, samen of alleen. De man van het camperbusje bouwt een sauna, het vogelaarstelletje schildert vandaag naambordjes en ik stond agressief pitrus uit te moestuin te verwijderen en wat liefdevoller wilgen te planten. Vanochtend bakten we nog brood en apple crumble, gister woelden we grond om en verwijderden we niet-gewenste planten. Elke maaltijd is heerlijk en aangevuld met wilde daslook, gedroogd zeewier, en zelfgebakken zuurdesembrood. De kasten hier staan vol natuurboeken en van Carina leer ik de Engelse namen van alle plantjes die we tegenkomen. Een klein paradijsje, zegmaar.

    Gister zaten we na het spitten even thee te drinken aan zee en te kletsen over van alles met de hostess en de andere vrijwilligers. Het vogelaarstelletje gaat meerdere Wwoof-projecten achter elkaar doen en zijn daarom met de auto. De man vertelde zelfs zijn trombone mee te hebben genomen, omdat hij op Arran mee wilde spelen met de lokale brassband. ‘Ja’, zei hij lachend, ‘we konden niet veel meenemen in de auto, maar wat wel mee moest waren the trombone and the mostrap!’. Er vanuit gaande dat dat het instrument van zijn vriendin was, vroeg ik aan haar wat dat was. ‘Het is net zo groot als deze bak’, zei ze wijzend op een grote emmer (ik dacht, oh, een tuba misschien?), ‘en er zit een doek overheen’ (ah, een pauk?!, raar om mee te nemen), ‘en de motten komen er dan in en gaan erop zitten’.

    Een moth-trap. Joe. Om te observeren. Die twee zijn natuurgekkies net als iedereen hier en de hele dag kakelen we over vogels en planten. Ik zit hier twee weken, en volgens mij gaat het heel fijn zijn. En hopelijk wil de man van het camperbusje mijn fiets fixen ;).

    Xxx! ❤️

  • Even met het vliegtuig

    Even met het vliegtuig

    Had ik de eerste week in Schotland nog geen spatje gezien, waarschuwde mijn Warmshowersgezin al dat het de tweede week ontzettend nat zou worden. ‘Heb je wel een plek om te schuilen?’ informeerde de man van het stel bezorgd. Gezien mijn onvermogen (en onwil) in de toekomst te plannen had ik dat nog niet en ik had ook geen zin uit angst voor een beetje water een week stil te zitten onder een dak. Ik zou het allemaal wel zien, dacht ik. Sowieso hoef ik de weersvoorspelling niet echt te weten en lijken mensen die altijd aan me op te willen dringen. Soms raak ik ook in de verleiding te kijken, vooral als alles miserabel is en ik een beetje goede hoop kan gebruiken. Maar van tevoren weten hoe zwaar het gaat worden heeft toch geen nut en als je niet bevooroordeeld bent door een voorspelling is je beleving van het weer vaak ook heel anders. Verwacht je regen, dan focus je je op de regen en lijkt het alleen maar te regenen. Verwacht je niks, dan trek je je regenpak aan als het nat is, droog je je spullen als het droog is, of zoek je onderdak als je tot op het bot verkleumd bent.

    Rustig aan

    Ik bleef een dag extra in het hostel (zie vorige blog) omdat ik wat tijd moest rekken. Ik kon in twee dagen bij mijn tante en oom zijn, maar ze zouden pas over vier dagen thuis komen van een bezoek aan hun pasgeboren kleinkind in het Zuiden van Engeland. Met de term ‘tante en oom’ zijn ze het zelf niet helemaal eens, maar hoe ik ze dan wel moet noemen weet niemand. Mijn tante is eigenlijk de nicht van mijn moeder. Een soort achtertante dan, en ik haar achternicht. In het Engels zeggen ze ‘second cousin, once removed’. Of misschien dan niet dat second erin, ik weet het niet meer. In ieder geval had ik haar nog nooit ontmoet, maar sinds een paar jaar wisten we wel van elkaars bestaan. Mijn oma (de zus van haar moeder) vertelde me al eens over een familielid dat in Schotland woonde, lange dreadlocks had, en leefde met de natuur. Toen ik dat voor het eerst hoorde dacht ik: wat?! Waarom weet ik dit nu pas? Blijkbaar ben ik niet de enige gekkie in de familie! Toen mijn tante op haar beurt twee jaar geleden Hunted keek met haar man kwam één van de deelnemers haar nogal bekend voor, maar ze wist niet waarvan. Aangezien ik ongeveer een kloon van mijn moeder ben, ontdekte ze later dat dat dus haar achternicht was en legden we contact op Facebook. En nu zouden we elkaar eindelijk ontmoeten!

    Van de extra dag in het hostel had ik spijt. Ik voelde me een luxepoes. De nacht ervoor had ik al in een duur hotel geslapen en het grootste deel van de dag in het boekendorp rondgeslenterd en koffie gedronken. Ik hoefde maar dertig kilometer naar het hostel dat ik die ochtend geboekt had, dus echt een uitdagende fietsdag was het ook niet. Het hostel was mooi en het uitzicht vanaf mijn kamer ook, en er was letterlijk niemand. Geen personeel, geen gasten. Mijn sleutel zat in een sleutelkastje en ik had het hele territorium voor mezelf. Heerlijk, maar eigenlijk ook een klein beetje saai. Het miezerde de volgende dag en aangezien ik op de route tot mijn tante zou kamperen en toch tijd teveel had, boekte ik gewoon nog een nachtje. Maar ik had ook zin in actie, in me keihard door de wind en regen ploeteren en het avontuur van het wildkamperen. Hoewel ik echt nog wel genoeg uitdagingen zal hebben de komende maanden, wilde ik het nú. Maargoed, ik had al geboekt en eigenlijk was die regen ook wel intens. Eerst wilde ik nog van alles ondernemen, maar ik gaf me er maar aan over, kocht een diepvriespizza, installeerde me in de luie stoel aan het raam en ging mijn sokken repareren. En muziek luisteren. En schrijven. En eten. En lezen. Eigenlijk was het heerlijk om een beetje aan te keutelen en lag ik ’s avonds alsnog tevreden in mijn bedje.

    Into the wild

    Gelukkig gunde het universum mij de uitdaging van fietsen in de regen, en ging ik in mijn volledige niet-zo-waterproof uitrusting op pad de volgende dag. De route die ik deed was een soort extra ommetje die vandaag weer zou eindigen in het stadje waar ik een paar dagen geleden begon. Het lelijke stadje, die met dat dichte jeugdhostel. Ik dacht dat ik daar pas na de middag aan zou komen (je weet nooit hoe steil de heuvels op de route zullen zijn), maar ik was al tegen twaalven compleet doorweekt bij de Aldi gearriveerd. Eindelijk weer even fatsoenlijk boodschappen doen en wraps inslaan, die ze om de één of andere reden niet bij de kleine dorpswinkeltjes lijken te verkopen. Wat een onzin, wat moet een mens zonder wraps?!? Bij de campingwinkel haalde ik nog een extra gasje, want in stadjes zou ik de komende tijd op de route niet komen. Voor de zekerheid heb ik daarom ook een spiritusbrandertje mee, dat is klein en licht en brandt op allerlei soorten alcohol die gemakkelijker verkrijgbaar zijn dan de butaan/propaan gasblikjes. Alleen alcohol brandt langzamer en veel minder efficiënt, prima als back-up optie dus. Inmiddels was de regen ook wat weggetrokken (zie je, het valt altijd wel weer mee, dacht ik toen nog) en kon mijn klim naar het Noorden beginnen. Boven het stadje begon namelijk een groot natuurgebied met bos en ik had me al helemaal verheugd op wildkamperen aan een groot meer.

    Ook voor dit park had men (ook wel: man, altijd weer pessimistische – of jaloerse? – mannen die geen vertrouwen hebben in mijn kunnen) mij gewaarschuwd. Hoe steil het wel niet zou zijn, ‘nou succes met al die bepakking daar’, je kunt beter een andere route nemen, etc. Ik was dus nogal bang geworden voor dat park en diens hoogtemeters, maargoed, mijn motto is dan ook: ik kan altijd lopen, als ik maar vooruit kom. Al moet ik elke vijf meter uithijgen. Natuurlijk viel het allemaal wel weer mee, het was best pittig maar niet ondoenlijk. Het bleef wel een beetje miezeren en tegen het eind van de middag kwam ik bij de afslag naar het meer. Een doodlopende weg die eindigde in een parkeerplaats, vanwaar er op de kaart wandelpaadjes te zien waren naar dat meer. Geen topdrukte dus, verwachtte ik, en dat leek me perfect om te overnachten.

    ‘Geen topdrukte’ bleek een understatement want er stonden maar twee auto’s op de parkeerplaats. Sowieso was ik dolgelukkig want het was zo fijn eindelijk weer in het bos te zijn na al die open heuvels! Een bos zonder dorpjes en mensen en fabrieken. Met mijn fiets aan de hand liep ik over het wandelpad, wat steeds onbegaanbaarder werd. De rivier kolkte en stroomde keihard, de paadjes bijna overstromend. Ik zette mijn fiets neer om maar te voet verder te verkennen en kwam na me door bosjes heen te ploeteren een prachtig vlak stukje grond tegen, vlak boven het meer. Aan het meer was ook een vlak stukje, maar dat lag aan het pad en vond ik spannend met eventuele waterstijgingen. Nee, dit plekje was perfect. Hoewel het echt een beetje tegen mijn gevoel indruiste, zette ik gewoon om vier uur ’s middags mijn tentje al op. Wildkamperen mag gewoon in Schotland, ik ben niets illegaals aan het doen! Raar gevoel, maar oh zo fijn.

    Ik werd water (Arabische manier om te zeggen dat je doorweekt was, love it)

    Ik sliep als een roosje terwijl de regen de hele nacht tekeer ging op mijn tent. Toen ik ’s ochtends de moed had verzameld de nattigheid in te gaan, rende ik naar mijn fiets om eten te pakken en mijn behoeftes te doen in de bosjes verderop. Terug in de tent nam ik alle regen mee naar binnen en kon ik een chagerijnige bui niet onderdrukken. ‘Wat een gezeik, deze regen, ik kan niet eens normaal naar buiten! Mijn regenpak is nog nat van gister, nu is de tent van binnen ook nat, ik ben er klaar mee!’. Ik begon een beetje te begrijpen waar die host me voor had gewaarschuwd toen hij vroeg of ik wel een schuilplek had voor deze natte week. Een dag in de regen fietsen is tot daar aan toe, maar opstaan terwijl alles wéér en nog steeds nat is, is echt verrot! Eerst maar eens koffie, dacht ik, en dat hielp al een hoop. Ik had geen idee of het de hele dag zou regenen, maar ik had ook geen haast besefte ik me. Ik had een hele voorraad aan eten, regen en stromende beekjes als watervoorziening, en ik hoefde alleen maar even zuinig met de batterij van mijn telefoon te doen.

    En regenen bleef het, dus las ik de hele ochtend en middag mijn boek terwijl ik theetjes dronk en chips at. En eigenlijk was het heerlijk om de hele dag warm in mijn slaapzak te liggen en te lezen, met het tikkende geluid van regen op mijn tentdoek. Om vier uur was het even droog en rekte en strekte ik me buiten onder het gezang van alle vogeltjes. Een wandeling zou me goed doen, bedacht ik me, en de uren daarna regende ik alsnog zeiknat, waadde ik op bevroren blote voeten door diepe plassen en ging het harder regenen dan het de hele dag nog gedaan had. Maar ik was tevreden. Ik zou terugkeren naar een droge tent en het landschap was prachtig. ’s Avonds stak ik een waxinelichtje aan en las ik verder in mijn boek en voelde me een onwijs gelukkig mens. Midden in het bos, aan een vredig meer, zonder ook maar een mens om me heen. De hele dag buiten, maar toch ook binnen. Fantastisch.

    De volgende dag moest en wilde ik er toch weer aan geloven. Dit keer had ik tóch stiekem de weersvoorspelling gecheckt en die zei voornamelijk wolkjes (30% kans op regen noem ik droog). Dus ik lekker mijn wollen broek aan en fleecevest, regenpak had ik geen zin in. Met een natte tent achterop gebonden begon ik nu aan de échte hoogtemeters. Zelfs mijn routeboekje zei het: ‘3 kilometer steile klim’. En het ging toch weer miezeren, maar dat waren die 30% druppels, die zouden zo wel weer wegtrekken, vond ik. Inmiddels was van binnen alles ook nat van het zweet en bleef het maar regenen, maar met het vooruitzicht straks in een huis te zijn liet ik mijn regenpak in de tas. Helemaal doorweekt met een zware wollen broek die alle regen had geabsorbeerd en natte schoenen die nog natter waren dan gister bereikte ik de top. Wat een uitzicht! Om me heen rotsige heuvels en watervallen gehuld in mist, wauw. Ik zou volgens het boekje nu ook 3 kilometer naar beneden sjezen, maar dat was minder leuk dan het klonk. Het was zó koud met alles doorweekt en de heftige wind dat ik hele harde liederen ging schreeuwen om het aan te kunnen:

    WAARHEEN LEIDT DE REIS OH ZONEN VAN HET NOORDEN – WESTWAARTS OVER WOESTE ZEE OP WEG NAAR NIEUWE OORDEN

    WAT ZOEKT GIJ OVER WOESTE ZEE ZO VER VAN UWER LAND – WIJ ZOEKEN NAAR DE NIEUWE GROND GELEID DOOR GODENHAND

    YNWAZ ZONEN VAART UIT NAAR DE HORIZON – VER VAN ONS HUIS OP ZOEK NAAR NIEUWE GROND

    Goeie tip als je pijn hebt, keihard zingen of schreeuwen, het werkt!

    Een tante uit Schotland

    Vroeg in de middag klonk het belletje toen ik de deur van het café open duwde. Als een druipend katje keek ik rond in het kleine, hippe koffiezaakje waar de verse scones en appeltaart op de toonbank prijkten. ‘She arrived!’ zei de man die erachter stond en die ik herkende als mijn oom. Hij bracht me naar het huis ernaast waar mijn tante me warm verwelkomde terwijl hij weer terugkeerde naar de gasten die koffie wilden. Wat volgde was een lange, warme douche, een kop dampende kruidenthee met beschuit met muisjes, en urenlang ouwehoeren op de bank. Mijn tante is een fantastische vrouw met een intrigerend leven en ik vind mezelf best een beetje op haar lijken. Met haar gezin heeft ze in Alaska, Noorwegen en Schotland gewoond en gewerkt voor een Christelijke zendingsorganisatie.

    In hun geloof laten ze zich inspireren door Keltische tradities die afgestemd zijn op het ritme van de natuur. Zo bidden ze niet op de standaard manier voor het eten, maar lezen ze ’s ochtends een vers uit ‘Celtic wheel of the year’ en rinkelen ze een belletje om even een momentje stilte voor jezelf te nemen. Ze hebben ook een prachtig gedicht uitgezocht die ze samen oplezen voor het diner. Mijn tante maakt ook veel kunst die op natuur geïnspireerd is en organiseert op zondagen een zogenaamde ‘forest church’, waar ze met een groep mensen naar buiten gaat en verbinding met de natuur aanmoedigt. Sinds vijf jaar wonen ze in dit dorp, waar ze met de huur van het huis ook een theehuis ter overname zouden hebben. Dat leek ze wel een leuke uitdaging, en na een complete renovatie zijn ze nu de trekpleister van het dorp. Wat heerlijk om zo spontaan in het leven te staan, gewoon aan te pakken wat zich aandient en nieuwe avonturen aan te gaan!

    De timing van mijn bezoek was nogal absurd. Twee dagen voor mijn aankomst hoorde ik dat het niet goed ging met mijn oma en de tweede dag bij mijn tante overleed mijn oma dan ook. Het was heel fijn om met mijn tante over familie te kunnen praten en mijn oma te herinneren, die weer haar tante was. Bovendien woont ze redelijk dichtbij Glasgow en zou ik heen en weer kunnen naar Nederland terwijl mijn fiets bij hun kon blijven. Het bezoek duurde dan ook langer dan gepland – afgestemd op een gunstige vlucht naar NL – en na vijf nachten bracht mijn oom me naar het treinstation. De afgelopen dagen waren gevuld met heel veel lezen, wandelen en fietsen in de prachtige heuvelachtige omgeving, kletsen met mijn oom en tante, en verwend worden met verse eitjes, zelfgemaakte kefir, bakjes koffie, heerlijk avondeten en een warm bedje. De vier katten en het konijn in huis maakten het geheel allemaal nog kneuteriger en ik voelde me erg thuis. Een bijzonder gevoel om bij mensen die je nog nooit hebt ontmoet zo welkom te zijn en je zo op je gemak te voelen! Tijdens de stiltemomentjes voor het eten besefte ik me steeds weer wat een bijzondere situatie het was en voelde ik me enorm dankbaar.

    Ik stond ook nog een middagje in het café, waar ik koffie bracht naar de gasten en taartjes op bordjes schepte. Ik vond het heerlijk om gewoon het ‘dagelijkse leven’ te leiden zo te midden van mijn reis, maar ook lekker om weer in de horeca te staan. Misschien ga ik deze zomer wel op zoek naar een leuk koffietentje in Ierland, ofzo, om te werken!

    Even heen en weer

    Alle spullen zitten weer droog in de fietstassen, op mijn natte leren schoenen na die nooit lijken te drogen en naaktslakken aantrekken (ik heb er al een geplet terwijl ik mijn schoen aantrok en nu zit er een glibberplek op mijn sok die er nooit meer af wil), en ik zit op de zolderkamer van mijn ouders alsof ik er nooit weggeweest ben. Het voelt gek om na twee weken alweer terug in Nederland te zijn, alsof alles weer van vooraf aan begint. Ik was zó blij toen mijn reis eindelijk begon, even helemaal los van thuis, een nieuwe start! Dus hoewel het fijn is om wat dagen met familie door te brengen en bij de begrafenis te kunnen zijn, zal het een opluchting zijn als ik volgende week weer op de fiets zit.

    Ik ben absoluut geen voorstander van vliegen, dus het voelt ook gek voor zo’n korte tijd heen en weer te gaan. Uiteindelijk won deze optie het over trein, bus en/of boot vanwege financiële en tijdsefficiënte redenen. Ik weet niet of ik daarmee de goede keuze heb gemaakt, en had liever de keuze niet hoeven maken. Tegelijkertijd ben ik ook dankbaar dat de mogelijkheid er is.

    Afin, wordt vervolgd!

    Xx ❤️

  • Een beetje verkleumd

    Een beetje verkleumd

    Een beetje verkleumd zit ik op een stoel naast het stapelbed. Ik ben de enige in het hostel en wellicht hebben ze daarom de verwarming maar uitgelaten. Er is ook geen personeel, de sleutel zat ik een sleutelkastje buiten. De kamer wordt verlicht door een felle witte lamp, want het is al donker. Maar achter het raam waar ik voor zit strekt zich een ver landschap uit met schapen en hun lammetjes en kon ik net zelfs in de verte de zee zien glinsteren. Een beetje saai is het wel in mijn uppie, maar het deert niet. Ik kom overdag genoeg mensen tegen en ik ga elke dag vroeg naar bed. Straks lekker mijn boek lezen, daar kan ik geen genoeg van krijgen!

    Zeven fietsdagen heb ik er nu op zitten. En ik heb al avonturen voor een maand meegemaakt. Ik vertrok een dag eerder dan gepland uit mijn ouderlijk huis. Het was namelijk lekker weer en in plaats van de volgende dag met de trein naar de boot te gaan, besloot ik er in twee dagen naartoe te fietsen. Via mijn zus kwam ik in contact met Michael die in een omgebouwde caravan woont op een krakersterrein in Amsterdam. Vanaf daar zou het de volgende nog twee uurtjes fietsen zijn naar de boot die pas ’s avonds ging, dus het zou ideaal zijn als ik bij hem mijn tent op kon zetten en meteen een leuke nieuwe ervaring. Alleen was hij op reis, dus mocht ik ín zijn caravan! Wat een luxe. De andere bewoners op het terrein ontvingen me warm. Ze hadden ’s avonds vergadering dus echt uitgebreid hangen kon niet, maar ik was ook doodmoe. Ik geloof dat ik om acht uur al sliep.

    Alto’s in de stad

    Het idee van een terrein kraken, daar zelf creatieve, kleine woningen op bouwen en in het midden samen een grote moestuin houden met kippen sprak me enorm aan. Maar ik houd niet van de stad. Overal razen auto’s en op mijn fiets kwam ik langs een groep jongeren die overduidelijk aan de drugs zat. In de stad vind ik de lelijkheid van het leven altijd zo aanwezig. Armoede, stress, uitlaatgassen, asfalt, lawaai, beton, afval. De volgende dag was ik er nog niet vanaf, want ik moest de hele stad nog door en de tocht naar Ijmuiden bleek een ernstig industriële tocht te zijn. Ik fietste ook langs Ruigoord, waar ik niet veel van weet behalve dat er hippiefeesten gehouden worden. Maar deze plek was, hoewel rustiger, omgeven door enorme industrie. Tata Steel op kleine afstand, ik weet niet of ik er blij van zou worden. Toch is het wel een goede en activistische reactie op de status quo en ontstaan deze bewegingen toch vaak voornamelijk vanuit de stad.

    In Ijmuiden was ik zeldzaam te vroeg. De boot zou pas om half zes ’s avonds vertrekken en ik was er al om twaalf uur. Vanaf enen zou je namelijk al in kunnen checken en ik had geen idee hoe dat proces zou gaan. Überhaupt had ik eerst al moeite met de locatie vinden, want waar moet je heen met je fiets? Blijkbaar gewoon in de rij met alle vrachtwagens en auto’s. Bagage werd niet gecheckt, alleen mijn paspoort. De douane beambte vroeg lachend naar mijn plannen ‘oh, lekker op de bonnefooi dus?’. Een heel contrast met de douane bij de trein naar Londen vorig jaar, waar ik werd uitgehoord over mijn financiën en terugreis. Deze man vond ’t wel best dat ik een enkeltje had, ik zou toch naar Ierland oprotten ;) Echt de boot op mocht pas een paar uur later. Mijn fiets in het onderste ruim bij de vrachtwagens, waar een Filippijnse man hem vastbond aan een afvalcontainer. Op de boot bleken sowieso vooral Filippijnse mensen te werken, wat me verwonderde. Hoe komen die hier terecht? Na te hebben gedoucht ging ik op de voorkant van het schip staan om ons de open zee op te zien varen. Wat een fantastisch gevoel. De rust, de verte, de zonsondergang.

    Het leuke aan dingen in je eentje doen is dat je het helemaal zelf moet ontdekken, en ook de ruimte hebt om helemaal zelf te voelen wat je ervan vindt. En ik vond de boot gewoon episch. EPISCH. Mogelijk om de Titanic vibes, maar ook om de imposantheid van zo’n enorm gevaarte die ons veiligheid biedt op de woeste oceaan. De bruutheid, ik zie stookovens voor me, enorme motoren, zwoegende mensen om de boot gaande te houden. Overal hangen enorme metalen kettingen waarvan ik geen idee heb waartoe ze dienen. Ik zie een gefocuste kapitein voor me met het zweet op zijn voorhoofd, bevelen roepend naar de bemanning. Ik voel gewoon de spanning, de kwetsbaarheid, het avontuur en daar kick ik keihard op. (Oja, ik weet niks van de scheepvaart dus dit is allemaal gebaseerd op de films Titanic en Captain Phillips).

    ’s Avonds na een whiskeytje in de bar met live muziek dook ik vroeg mijn bed in. Om twee uur lag ik nóg wakker van mijn kletsende buren. Zo onschuldig en zich waarschijnlijk niet bewust van de gehorigheid, dat ik er niets van durfde te zeggen. Maar toen ik het zelfs door mijn oordoppen heen nog hoorde, klopte ik toch maar even op de muur en vielen ze direct stil. Wat volgde was een diepe slaap en dromen over een vliegtuigcrash door het weeïge gevoel van de golven. De volgende dag sprak ik op het buitendek een man die voor €18 een minicruise geboekt had, gewoon even heen en weer met de boot. Dat ik ging fietsen vond hij maar raar, en of ik wel goede banden had want het kon nog wel eens glad worden. Niet echt hoopvolle woorden, en toen de haven van New Castle in zicht kwam voelde ik mijn hart razendsnel kloppen. Wat ga ik in vredesnaam doen? Het is koud, waar slaap ik vanavond? Komt het allemaal wel goed? Toch was ik blij dat ik niet net als hij diezelfde avond weer in een benauwde cabine zou slapen en weer in Nederland zou arriveren. Ik had zin in avontuur!

    Particularly generous

    De boot af werd ik hartelijk ontvangen door het havenpersoneel. Helemaal blij en geïnteresseerd wezen ze me de weg en wensten me geluk. Daar werd ik blij van! En zo fietste ik opeens in Engeland, vrij als een vogeltje. Ik moest ruim twintig kilometer door New Castle en zoals je inmiddels weet haat ik steden, dus ik kocht gauw een broodje bij de supermarkt en toen ik het van vijf minuten stilstaan al koud kreeg racete ik snel door. Al gauw was ik de stad uit en was de route prachtig! Langs de brede rivier de Tyne, door een nooit ophoudend stadspark. In de middag begon opeens de zon te schijnen en kon ik mijn geluk niet op. Het landschap was nu al mooi, ik had het lekker warm, en ik had een gevulde maag. In de zon at ik een sinaasappel en las ik mijn boek, heerlijk. Maar het begon al stiekem te knagen: waar ga ik nou slapen vannacht?

    Wildkamperen heb ik wel eens gedaan, maar niet vaak. In 2018 fietste ik vier maanden door Zuid-Europa en deed ik het vaak, maar sliep ik verrot en voelde ik me kut. In Nederland doe ik het wel eens met vrienden, maar dat is eerder een zeldzaamheid dan gewoonte. Ik vind het gewoon lekker om te kunnen keutelen bij de tent en rustig op te staan en heb geen zin in stiekem gedoe. In Schotland mag je wildkamperen, maar ik was nog een paar dagen in Engeland. De hele dag keek ik al om me heen als ware het een oefening: zou het hier kunnen? Of hier? Niets leek geschikt, bovendien was het nog veel te vroeg. Om half vijf vond ik het toch wel tijd worden. Het was weer guur geworden en ik had het koud. In het park van een klein stadje at ik mijn wraps, dan had ik vast avondgegeten en misschien kon ik daar wel staan als het donker werd? Een sjofele man die naar me liep te loeren (tegenwoordig kijk ik gewoon intimiderend terug en worden ze bang) bevestigde dat dit niet de plek was. Niet in een stad. Dus maar gewoon doorfietsen.

    Een eindje verderop kwam ik weer op het platteland in een dorpje van drie huisjes waar een oud vrouwtje in de serre de bloemetjes water aan het geven was. Nee, het land hier was allemaal van een boer die elders woonde. Na even kletsen bedachten we samen dat ik misschien verderop wel achter een oude ruïne kon kamperen. Ze vond het maar niks om mij zo op pad te sturen, maar ik verzekerde haar dat het wel goed kwam. Lief mens.

    Die ruïne bleek op de top van een steile heuvel te staan. Ik was moe, de zon was bijna onder, ik had er geen zin in. Wat een gezeik dit. Vlak voor die heuvel zag ik nog een soort sjieke oprijlaan, daar maar eens kijken dan. Mag ik hier wel komen? Dacht ik nog. Het bleek een soort gehucht met megahuizen met BMW’s voor de deur. Zonder aarzelen belde ik gewoon bij het eerste huis aan, dat voelde gewoon goed. Een vriendelijke man deed open en toen ik mijn verhaal uitlegde zei hij, je kunt het wel even bij Neil en Gill proberen, zij zijn de enigen hier met een stukje land. ‘You never know, they might feel particularly generous’. Zo’n mooie, typisch Britse zin vond ik dat, die nog dagen in mijn hoofd bleef hangen (uitspreken kan ik hem alleen niet, particularly??).

    Neil en Gill voelden zich zéér generous. Ze stonden toevallig in de deuropening hun gast uit te zwaaien en aarzelden niet toen ik ze mijn verhaal vertelde. Ze brachten me naar het weilandje achter het huis met prachtig uitzicht op een rij populieren, een boomgaard met paarden en hun poepiesjieke huis. Wauw! Ik kon wel janken van geluk! Terwijl ik mijn tent aan het opzetten was kwam Gill me thee en dekens brengen, ohja en die kruik moest ik ook vullen want het was veel te koud. En of ik de volgende ochtend dan bij ze kwam ontbijten. Om acht uur lag ik warmpjes in bed en sliep in één ruk door. En ’s ochtends kreeg ik inderdaad porridge en koffie aan de keukentafel terwijl we kletsten over hun boekenclubs en hun kinderen die allemaal advocaat ofzo waren. Heerlijke mensen. Ik kreeg ook nog een pak dadels en een paar gekookte eieren toe. ‘Je moet goed zorgen voor jezelf, meisje’. Als er iets was, moest ik maar gewoon bellen. Een betere eerste dag in Engeland kon ik me niet wensen.

    De volgende dag was pittig. De eerste echte klimmetjes lieten zich zien. Het was guur en koud en hoewel het landschap mooi was, was het ook vrij eentonig. Onderweg begaf mijn eerste versnelling het en moest ik alle heuvels in de tweede op. Lopen dan maar, fixen zou ik later wel doen. Toen ik aan het eind van de dag helemaal doodop was en per ongeluk een berg met 15% helling schreeuwend van geluk afsjeesde, maar die toen weer omhoog moest omdat ik verkeerd was gereden, vond ik het wel best. Er zou een camping in de buurt zijn en daar ging ik dan maar voor, ondanks mijn wens vooral veel te wildkamperen. Wat bleek, de camping was maar vijf pond en op een super mooi natuurlijk terreintje!

    Poging twee van wereldfietser worden

    Ik heb mezelf sinds de reis in Zuid-Europa beloofd dat ik deze keer voor meer comfort zou gaan. Warmere kleding, fijnere slaapplekken en vooral ook: meer eten. Ik hongerde mezelf toen echt uit omdat ik vond dat ik hard moest worden, sterk, tegen afzien moest kunnen. Het resultaat was dat ik voortijdig naar huis terugkeerde omdat ik het allemaal niet leuk meer vond. Door de afgelopen anderhalf jaar in een tent te hebben gewoond weet ik ook dat eten echt heel belangrijk is in de kou. Voor energie én voor mentaal welzijn. Honger maakt gewoon chagrijnig en moe. Dus ik at deze tweede dag veel. De gekookte eieren, alle dadels. Wraps met onder andere avocado en kaas, ontbijtkoek uit Nederland, chocoladerepen. Sowieso is het verschil met die reis nu al groot. Ik heb nu ook voortassen, wat het klimmen veel makkelijker maakt. Ik spreek de taal hier vloeiend en heb daardoor de hele dag leuke gesprekjes met de vriendelijke mensen. Ik heb een slaapzak die tot min twaalf graden kan, ten opzichte die van nul graden toen (en waar ik het altijd steenkoud in had). En vooral: ik ben een stuk zelfverzekerder. Ik ben niet zo bang meer om nee te zeggen tegen mannen die respectloos zijn (zo wilden op één dag twee verschillende mannen mij op de foto zetten, ga weg joh) en ben me ook bewust van mijn eigen krachten. Het idee dat je als vrouw een soort hulpeloos wezen bent, overgeleverd aan de goedheid van anderen, daar geloof ik al niet meer in. Ik ben een tegenpartij, en ik vecht terug. En dat maakt dat ik me veel minder aantrek van alle angstscenario’s die het alleen reizen kunnen oproepen.

    Zo kwam het dat ik best prima sliep in mijn tent op een parkeerplaats langs een rustige weg, de volgende dag. Urenlang had ik door bewoond gebied gefietst en geen geschikte kampeerplek gezien. Het werd echt al laat en ik had geen idee wat ik moest doen. Gelukkig was er een plan B, er zouden namelijk verderop wel wat hotels langs de route zijn. Maar ik had oprecht zin om lekker in mijn tent te slapen, dus deed ik een poging bij het Holiday Park waar ik langs kwam. Een park met vooral heel veel lelijke, eentonige stacaravans, maar wel een aanlokkend restaurantje en toiletgebouw. De barman vertelde me dat tenten niet waren toegestaan op het hele terrein, pff, wat een onzin. Maar, verderop was een parkeerplaatsje en daar stonden wel vaker mensen. Ik vond het een beetje shady, en in mijn slaap wakker schrikken door koplampen en de overtuiging dat ik overreden werd was ook niet heel lekker, maar eigenlijk ging het best goed. Dat kwam doordat ik durfde te geloven in dat het allemaal wel goed zat, doordat ik mezelf positieve verhalen vertelde, en omdat die barman zei dat iedereen die daar kampeerde altijd heel lief was. Ja, mensen zijn lief en mensen zijn vooral met zichzelf bezig.

    ’s Ochtends, in een poging niet te bevriezen, dronk ik mijn bakje koffie uit de wind en vond ik dat het die dag tijd was voor een warme slaapplek. Een Warmshowers koppel reageerde meteen op mijn verzoek, ik mocht daar de nacht doorbrengen! Enerzijds was het heerlijk dat vooruitzicht te hebben, anderszijds was voor mij de dag eigenlijk bij voorbaat al klaar. Ik wist al hoe het af ging lopen, ik moest er alleen nog naartoe. Bovendien merkte ik dat mijn lichaam moe was en alles bij elkaar zorgde dat dat ik weinig kracht had voor al die heuvels. Ergens halverwege at ik mijn lunch in een lelijke berm en liep ik zelfs de kleine hellinkjes maar met de fiets aan de hand. Als ik maar vooruit kom, was het motto. De weg ernaartoe voelde gewoon als een obstakel dat overwonnen moest worden, in plaats van een avontuur op zich. Het was wel pokkekoud die dag met harde wind die ik gelukkig mee had, dus dankbaar liet ik me na een lange dag aan de keukentafel zakken in hun pittoreske dorpje en een dampende kop thee serveren. Eindelijk kon ik ook na vier dagen douchen en ik kreeg zelfs een lekker biertje en warme maaltijd voorgeschoteld. Het koppel had zelf vier jaar (!) op de fiets doorgebracht en had leuke verhalen te vertellen. Van alles hadden ze wel het meest lichtgewicht spul en de duurste fietsen, iets waar ik niet per se blij van word. Het doen met wat je hebt, dat vind ik charmant, ookal reis je daardoor wat zwaarder. Maar iedereen doet het op zijn eigen, mooie manier (lichtgewicht kun je weer meer op de kilometers focussen).

    De volgende dag hing ik de hele dag in een leuk café om mijn spieren wat rust te geven. Ik had een wildkampeerplekje getipt gekregen van het koppel waar ik sliep, en die was lekker dichtbij. En wauw, het regende de hele dag, maar toen ik aan het eind van de middag op de fiets stapte ging de zon schijnen en trof ik het mooiste kampeerplekje ooit aan. Wat. Hemels! Ik voelde me zó gelukkig!

    Als alles mag, wat wil je dan?

    Iets minder fortuinlijk was de nacht, met dikke windstoten en harde regen. Ondanks dat had ik ’s ochtends zin om weer lekker kilometers te maken en zwoegde ik me de hele dag in de zeikregen door de prachtige natuur van Zuid-West Schotland. Ik voel me met de dag sterker worden, mentaal en fysiek, dus het ging prima. Alleen pauzes houden stond equivalent aan verkleumen, dus toen ik het jeugdhostel waar ik op aasde gesloten aantrof ging ik maar baldadig al fietsende een zak chips eten en maar doortrappen op de route. Ik had geen zin meer, was moe en koud. Wilde wel kamperen, maar had geen kracht voor het hele zoekproces. Ik bevond me ook weer in erg stedelijk gebied en als het niet stedelijk was was het wel uitgestrekt en open en vaak allemaal boerenland. Ik herinnerde me een gesprek dat ik laatst met vriendin Marleen voerde. ‘Als je alles mag van jezelf, dan pas kun je voelen wat je wil en nodig hebt’. Dat gaat bijvoorbeeld ook op voor eten. Als je alles mag eten wat je wil en zo veel als je wil, dan pas is er ruimte om te voelen waar je lichaam eigenlijk echt behoefte aan heeft. Want dan ben je niet meer in gevecht met wel of niet aan je eigen regels voldoen. Dus, oké, zei ik tegen mezelf. Ik mág een overnachting boeken, dat is helemaal oké. Het mag, echt. Wil ik dat?

    Ja, dat wil ik, dacht ik toen. Daar heb ik nou echt zin in. Abrupt stapte ik af en opende Google Maps. Het eerstvolgende dorp had een prachtig hotel met dure kamers. Dat voelde goed. Als ik dan betaal voor een kamer, dan wil ik het ook goed doen. Dan wil ik een heerlijk Schotse, kneuterige ervaring. Dus ik boekte en verlekkerde me op de fiets al over het feit dat ik ging douchen, me mooi op ging maken, uit eten zou gaan en dan whiskey zou drinken en zou flirten met knappe Schotse mannen. Potjandrie, wat een heerlijke beslissing! Dit is mijn leven, mijn reis, mijn geld! Als het op is ga ik weer werken, maar ik ga eerst gewoon GOED leven.

    Oke, dat hele flirtverhaal viel een beetje tegen want het enige restaurant dat open was op zondag zou ik moeten bellen zodat ze voor mij open zouden blijven. Dus at ik maar mijn wraps in bed in de hotelkamer, whiskey had ik wel gehaald. Dat hoorde er gewoon bij. Wat heb ik de rest van de avond gedaan? Een beetje gescrolld op Instagram, oftewel: geen reet. Heerlijk, genoeg gepresteerd voor de dag. Toch knaagt er dan iets bij mij: kan ik het wel maken zo luxe te leven? Ben ik te verwend? Zouden dit soort hotels mogen bestaan als er ook zoveel armoede is? Hoe verhoud ik me tot armoede van andere mensen, is dat niet juist de verantwoordelijkheid van rijkere mensen? Is het wel eerlijk dat de meeste mensen keihard werken en ik maar een beetje rondreis en whiskey drink? Moeilijke vraagstukken, waar ik geen antwoord op heb. Het enige dat ik weet is dat ik honderd keer beter in mijn vel zit dan een week geleden. Ik kan mijn energie kwijt in het fietsen, geniet intens van het avontuur en de afwisseling en word heel gelukkig van elk moment kunnen beslissen waar ik zin in heb. Leven in het nu, dat is wat er tijdens het reizen kan en waar ik altijd zo naar verlang. Is dat dan een zonde? Misschien vooral een voorrecht.

    Nog steeds zit ik onder het felle witte licht dit verhaal op het kleine schermpje van mijn telefoon te typen. Ik slaap weer onder een dak vandaag, en misschien blijf ik hier morgen ook wel. Een veel goedkopere plek, weliswaar, en gewoon lekker. Het is koud buiten en er is hier cultureel enorm veel te beleven dat kamperen even niet belangrijk is. Vandaag was ik namelijk in het boekendorp van Schotland en het was zo fantastisch dat ik de hele dag gewoon wilde schreeuwen van blijdschap. Allemaal tweedehands boekenwinkeltjes, een wolwinkel, een oude begraafplaats vol met nesten van krauwende roeken, kringloopwinkels met oude violen en Schotse tartan rokken, en als kers op de taart een boekencafé met alleen maar boeken door en over vrouwen. Iedereen vroeg naar mijn fiets, ik werd aangesproken of ik kwam voor het ‘writers retreat’ (I wish) en ik at chocoladetaart terwijl ik in mijn nieuwe aanwinst las: een boek over giftige planten. In my defense, dat vind ik interessant omdat ik van wildplukken hou ;) Maar toch voelde ik me erg Hermelien (van Harry Potter) toen ik in een stoffige boekenzaak naar dit onderwerp vroeg.

    Xxxx ❤️